is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzoekende adressant qq. ziek met deze beschikking bezwaard achtende, haar te vernietigen en het evenomschreven verzoek alsnog toe te staan;

Gezien de stukken, waaronder een door het hoofd van plaatselijk bestuur harer woonplaats op de getuigenis van twee harer mede ingezetenen afgegeven certificaat van het onvermogen der verzoekster;

O. dat de gewraakte beschikking van den president van den raad van justitie te Soerabaja gegrond is op het motief, dat het even aangehaalde wetsartikel alleen dagvaardingen betreft, terwijl daarentegen de wet bij art. 832 al. 2 van het regl. op de B. Kv. bij verzoeken om echtscheiding eene andere wijze van oproeping heeft voorgeschreven, welke de meest mogelijke zekerheid voor de verschijning van partijen zoude verschaffen, en wanneer aan dat voorschrift niet kan worden voldaan, de echtgenoote, die een nieuw huwelijk wenscht aan te gaan, art. 493 van het B. W. te baat zoude moeten nemen;

O. dienaangaande,

dat zooals boven opgemerkt rekestrants principale tot echtscheiding wenscht te geraken op grond van kwaadwillige verlating en toepassing van art. 493 van het B. W. bij kwaadwillige verlating uitdrukkelijk is uitgesloten, weshalve het beroep op die wetsbepaling in casu al dadelijk daarom niets ter zake afdoet;

O. wijders, dat onderwerpelijk als vaststaande moet worden aangenomen, dat de echtgenoot van rekestrants principale, jaren geleden, zich door de vlucht aan eene strafrechterlijke vervolging heeft onttrokken en zijne woonplaats geheel onbekend is, weshalve toezending van het bevelschrift om te verschijnen, zooals die toezending door den eersten rechter wordt opgevat, i. e. opzending aan den afwezigen echtgenoot in persoon, in casu onmogelijk is en een vasthouden aan die interpretatie tot de ongerijmdheid leidt, dat degene, wien de wet zelve het recht toekent om op zekere gronden echtscheiding te vragen, door dezelfde wet verhinderd zoude worden dat recht te doen gelden;

dat hiertegenover dient te worden gesteld, dat de wet geene