is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieerschende meenings verschil. De schr. had krachtiger moeten doen uitkomen dat in casu de historie van het artikel voor de juiste interpretatie van weinig waarde is, gedachtig aan Opzoomers raad dat we allereerst met den geopenbaarden wil van den wetgever hebben te maken en het zijne, niet onze schuld is indien hij iets anders zegt dan hij bedoelde of iets anders bedoelt dan hetgeen hij zegt. Alleen in zooverre heeft de historie van art. 109 eenige waarde als ze uitdrukkelijk aantoont dat de godsdienst niet uitsluitend het criterium is, zoo zij er al een deel van gebleven is, eene bewering elders geuit, die naar het gebied der dwalingen moet worden verwezen.

Het voor de O. Vr. geldige burgerlijk en handelsrecht, waarbij de op hen toepasselijk verklaarde voorschriften der Europeesche wetgeving ter sprake komt is het onderwerp van het 2de hoofdstuk.,

Bij de behandeling van een der hoofdbronnen van de rechtspraak ontwikkelt de schrijver de meening dat de eerste eisch eener wijze koloniale staatkunde is de inheemsche rassen te' laten in het genot — sic — hunner eeuwenoude instellingen (pag. 20) ofschoon hij elders verklaart: hoe ruimer de Europeesche wet werkt, hoe beter (pag. 81).

Ik wil het er voor houden dat de schr. op pag. 20 meer bepaaldelijk de burgerlijke wetgeving op het oog heeft gehad en niet het strafrecht, en dit laatste met het handelsrecht bedoelde op pag. 81.

Edoch dezelfde ratio die hem tot die meening bracht geldt niet enkel voor de inheemsche rassen maar ook voor de O. Vr. waarvan het overgroote deel, speciaal het deel waaraan de schr. zijne aandacht wijdt, de Chineezen, wel niet tot de inheemschebevolking maar wel degelijk tot de landzaten behoort, welke laatste meening ik — al vindt zij ook bij sommigen bestrijding — op goede gronden geloof te kunnen volhouden.

De woorden in fine van de derde alinea van art. 75 R. R. geven den schr. aanleiding tot eene vergissing door als kenmerk van het daar gemaakte voorbehoud aan te nemen dat het derogeert aan art. 20 der Alg. Bep., waar den rechter verboden wordt de