is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winst, werkzaam is bij den geëmploijeerde van de partij, is niet voldoende om een zijdelingsch belang aan te nemen bij een geding, loopende over de hoeveelheid van namens die partij door den geëmploijeerde geleverde koopwaren 282

Competentie. — Boedelkamer. — Art. 72 Ov.—Staatsblad 1828 no. 46 art. 6 en 58. — Staatsblad 1885 110. 79.

Gedagvaard zijnde de Wees- en Boedelkamer in eene zaak uitsluitend handelende over aanspraken op eenen Chir.eeschen boedel, welken gedaagde wederrechtelijk zoude bezitten en waarvan afgifte gevorderd wordt, dan is de dagvaarding alleen gericht tegen de Weeskamer als belast met de functiën van Boedelkamer.

De raad van justitie is onbevoegd van deze vordering kennis te nemen.

De landraad is de gewone rechter voor het college van Boedelmeesteren 289

Berekening van toe te kennen schadevergoeding wegens onrechtraatigen executorialen verkoop.

De waarde van bij executie verkochte goederen kan geacht worden die te zijn, waarop zij door deskundigen getaxeerd zijn.

Bij de vaststelling van het bedrag der schadevergoeding wegens onrechtmatigen executorialen verkoop, ten gevolge waarvan de geëxecuteerde zijn bedrijf niet meer heeft kunnen uitoefenen, kan niet alle winstderving gedurende den tijd van het gemis van het verkochte tot aan de voldoening der schade in rekening gebracht worden, maar moet in het oog gehouden worden, dat de geëxecuteerde naar eenen anderen werkkring had moeten omzien, waarvoor een zekere termijn moet aangenomen worden en moeten de verdiensten, welke hij na de executie gehad heeft of had kunnen hebben, in het voordeel van den executant komen.

Ook moet in casn voor de vaststelling van het toe te kennen schadebedrag in aanmerking komen dat het beslag alleen wegens een gebrek in den vorm onrechtmatig was 345

Belang bij appel. — Wederzijdsche credietverleening. — Actie tot rekening en verantwoording

De geintimeerde bewerende den appellant ontslagen te hebben van zijne verplichting krachtens het vonnis wat de hoofdzaak aangaat, doch de appellant dit ontkennende en zulks niet vaststaande, dan is de laatste ontvankelijk met zijn beroep van de hoofdzaak.