is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bewaarder beeft tegen den deurwaarder geene actie tot betaling van de bem toekomende belooning .

Art. 1247 B. W. — Artt. 91, 92, 379, 383 en 74S Kh. — Aansprakelijkheid van den schipper. — Overmacht.— Schade door niet bezorging van het ter vervoer overgeno men goed. — Scheepsverklaring. — Nalatigheid der opvarenden. — Kracht van het reglement eener prauwmaatschappij.

De acties uit art 91 en 92 Kb. kunnen te gelijk ingesteld worden, wanneer aan bet ter vervoering overgenomen goed schade overkomen is en het bovendien niet ter bestemder plaatse gebracht is, zoo ook door dit laatste schade geleden is.

Wanneer een koopman van eenen schipper onmiddellijk vervoer bedingt van koopmansgoederen naar een stoomschip, waarvan men wist dat het reeds 's anderen daags vertrekken zoude en ook werkelijk vertrokken is, dan moet aangenomen worden dat hij die verzending deed voor zijnen handel met het oog op winst en dat de schipper heeft kunnen voorzien dat de niet bezorging in dat stoomschip schade kon veroorzaken.

De vordering tot vergoeding der schade aan het ingeladen goed, doordien het geheel bedorven is door in de prauw gedrongen water, bevat niet in zich abandonnement van het goed, al staat, volgens de dagvaarding, de schade gelijk met de geheele waarde van het ingeladen goed.

De goederen niet ter bestemder plaatse bezorgd of elders aangeboden onder voorwaarden, waartoe de inlader of eigenaar niet verplicht is. dan is er voor dezen laatste geen sprake van expertiseeren.

Beperking der bij de wet gestelde aansprakelijkheid van den schipper bij een door eene prauwmaatschappij vastgesteld reglement, bindt den inlader niet, zoo dit niet of uitdrukkelijk overeengekomen is of do inlader met die bepaling bekend was of geacht moet worden bekend te zijn.

Dit laatste volgt niet per se uit het feit dat de maatschappij reeds lang bestaat en zij haar reglement heeft doen drukken en verspreiden.

De verklaring van art. 383 Kh., afgelegd na 24 uren, levert geen bewijs op voor beweerde overmacht

Eedsaflegging. — Art. 1944 B. W. — Art. 52 Rv.

Het vermoeden van eedsweigering, bedoeld bij art. 52 al. 2 Rv., bestaat niet, wanneer de partij, aan welke de eed is opge-