is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft art. 97 Riouw Reglement (art. 195 Jnl. Regl.) niet geschonden of verkeerd toegepast.

De rechter rechtdoende op eene tegenvorderiug van den verweerder, die niet bij zijn schriftelijk antwoord op den eisch, doch later gediend is, heeft art. 54 van het Riouw Regl. geschonden. 191

Art.. 178 en 221 Lil. Regl. — Gewone rechtspleging bij het aanwezen van de grosse van eenen notariëelen schuldbrief. — Bekentenis.

De wet verbiedt den rechter niet om eene veroordeeling uit te spreken, al is er eene grosse eener notariëele schuldbekentenis, overeenkomstig art. 221 Inl. Regl . en daarbij die acte als wettig bewijsmiddel te laten gelden.

Door de overweging dat de gedaagde de door eischer geposeerde en door de overgelegde bescheiden gestaafde posten niet heeft weersproken, is niet gezegd dat gedaagde die feiten bekend heeft 233

Art. 193 en 198 Inl. Regl.

Cassatie van eene incidenteele beschikking van eenen Landraad is niet ontvankelijk wanneer nog geen eindvonnis gewezen is. 236

Voor een beroep in cassatie kan men niet volstaan met eene opsomming der wetsbepalingen, die men beweert geschonden of verkeerd toegepast te zijn; daarbij behoort opgegeven te worden door welke beslissing des rechters dit geschied is.

Bij beweerd verzuim van vormen moet worden opgegeven welke vormen niet in acht genomen zijn en welke wetsbepalingen daardoor geschonden zijn 238

Art. 131 Regl. Sutn. Westk. (Staatsblad 1874 no. 94ó).— Suppletoire eed bij eindvonnis in appel opgelegd. — Art. 7 van Staatsblad 1876 no. 35.

De bepaling van art. 131 laatste alinea van het Regl. Sum. Westk. (Staatsblad 1874 no. 94b), dat de appèlrechter, alvorens bij eindvonnis te beslissen, eene praeparatoire of interlocutoire uitspraak kan doen, belet hem niet bij eindvonnis eenen suppletoiren eed op te leggen.

De rechter overwegende dat eischeresses gepraetendeerde rechten op gronden niet helder blijken en dat zij en hare voorouders die reeds vóór zeker tijdstip hebben bezeten, beslist daardoor dat voor de vordering wel eenig bewijs aanwezig is en kan dus den suppletoiren eed opleggen.