is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te betalen de som aan ƒ 1812.50 met de renten ad zes ten honderd 'sjaars a die litis raotae tot op den dag der volle voldoening toe; zoomede otn, evenzeer hoofdelijk voor liet geheel, mits de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, binnen twee dagen na de beteekening aan hen van het in deze te wijzen vonnis, aan den daartoe bevoegden ambtenaar te betalen de verpondingsbelasting van het land Tjilodong over het eerste semester 1888; voorts om aan eischeres qualitate qua binnen gelijken termijn het bewijs van kwijting voor de alzoo betaalde belasting te vertoonen, met bepaling tevens dat, zoo gedaagden in gebreke mochten blijven binnen den gestelden termijn aan dat gedeelte van het vonnis te voldoen, eischeres qualitate qua alsdan uit kracht van dit vonnis gemachtigd zal zijn die verpondingsbelasting te betalen ten koste en voor rekening van de gedaagden, die op het enkel vertoon van de quitantie dier betaling gehouden zullen zijn hoofdelijk elk voor het geheel, mits de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, aan eischeres qualitate qua onverwijld terug te betalen al wat deze dientengevolge ter zake aan belasting zal hebben betaald; voorts dit vonnis is verklaard uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande hoogere voorziening zonder borgtocht en, voor zooveel den eersten gedaagde Tjoa Tjiang Soeij betreft, tevens bij lijfsdwang, mits in dit geval zekerheid worde gesteld voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, waartoe de arrestant mocht worden veroordeeld, met bepaling dat die zekerheid zal moeten worden gesteld binnen acht dagen en binnen gelijken termijn aangenomen of betwist, en met veroordeeling der gedaagden hoofdelijk voor het geheel in de kosten van het geding mits de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd;

O. dat de eerste gedaagde Tjoa Tjiang Soeij zich met die uitspraak bezwaard achtende, daarvan tempore utili is gekomen in hooger beroep, doch alleen voorzoover dat vonnis tegen hem is verklaard uitvoerbaar bij lijfsdwang, hebbende hij ter zake bij eisch in appel in hoofdzaak aangevoerd dat het beweren des rechters a quo, dat de aangegane huurovereenkomst het oog heeft op het uitoefenen van landbouw, onjuist is;