is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat adressante dus, zoowel bij haar eerste verzoek als bij het eerste gedeelte van haar tweede verzoek door den rechter wil beslist hebben dat zij niet verplicht is aan de Weeskamer te Batavia terug te geven zekere door haar ontvangene aan hare minderjarige dochter C. P. D. O. Kijdsmeir toegevallen inkomsten, welke door de Weeskamer van haar teruggevraagd zijn;

dat eene beslissing hieromtrent slechts contradictorio modo en niet op een eenzijdig verzoekschrift kan genomen worden, omdat daarbij zoude moeten uitgemaakt worden of de Weeskamer al dan niet gerechtigd is het bedoelde bedrag van adressante te vorderen en of adressanfce gedwongen kan worden tot terugbetaling daarvan;

dat bovendien adressante er ook geen belang bij kan hebben dat eene beslissing als door haar gewenscht op een eenzijdig verzoekschrift genomen wordt, omdat die de Weeskamer, als geene partij in de zaak, niet zoude binden;

O. dat adressante mitsdien met haar eerste verzoek en het eerste gedeelte van haar tweede verzoek niet ontvankelijk behoort verklaard te worden ;

O. alsnu ten opzichte van adressantes verzoek dat de Weeskamer te Batavia moge gemachtigd worden om met de uitkeering aan adressante voort te gaan van de revenuen aan hare dochter toegevallen uit de nalatenschap harer grootmoeder ;

dat art. 318 B. W., waarbij dit onderwerp geregeld is, niet belet om, daartoe termen zijnde, hetzij b.v. door later opgekomen vermeerdering of vermindering van het vermogen van den minderjarige of verandering van de maatschappelijke verhouding der ouders, wijziging te brengen in het bedrag der toe te leggen jaarlijksche uitkeering;

dat nu, zonder in een onderzoek te treden naar de beteekenis van 's Raads beschikking van 8 Februari 1882 met het oog op de vraag of de Weeskamer door die beschikking gemachtigd was aan adressante al dan niet de aan hare dochter later opgekomen revenuen uit te keeren, de Raad van oordeel is dat in het eerste geval de toegelegde uitkeering met het oog op den leeftijd en den stand der pupil te hoog en in het laatste geval om dezelfde redenen te laag te achten is;