is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarders der koebeesten waren, zij zeiven verantwoordelijk waren voor eene behoorlijke verzorging en mitsdien, gesteld dat zij aan die op hen rustende verplichting niet hadden voldaan, de daardoor ontstane schade niet op geintimeerde zou mogen verhaald worden;

dat wat de overige posten betreft, wordt opgemerkt dat appellanten volkomen vrij waren om hunne goederen op vendutie te verkoopen, doch de venduonkosten dan ook voor hunne rekening blijven, tenzij zij aantoonen dat zij door het beslag zijn genoodzaakt geworden de goederen op vendutie te verkoopen en, zoo het beslag niet was gelegd, zulks niet zouden hebben gedaan;

dat nogtans uitdrukkelijk wordt ontkend dat de vendutie door het beslag noodzakelijk is geworden, zoomede dat de goederen tijdens het beslag in waarde zijn verminderd;

dat appellanten het recht hadden om geheel waardelooze taxatiën te laten doen, doch daarvan ook de kosten behooren te betalen;

dat verder door appellanten in hooger beroep onrechtmatig is geeiacht wettelijke rente van of 21 Maart 1888, zijnde de dagteekening van 's raads vonnis a quo, vermits in eersten aanleg geen rente is gevorderd veel minder recht daarop is beweerd;

weshalve door geintimeerde op vorenstaande gronden is geconcludeerd tot te niet doening van het appel met bekrachtiging van het vonnis a quo en veroordeeling van appellanten in de kosten der appellatoire instantie;

ü. dat appellanten bij conclusie van eisch incidenteel subsidiair in appel het beweren van geintimeerde dat zij het door haar gedaan aanbod niet hebben bestreden, als minder juist hebben verworpen in hoofdzaak op grond dat de wet (art. 608 Rv.) bij eene procedure tot liquidatie van geleden schade niets anders vordert dan dat, wanneer na beteekening van den seliadestaat partijen zich daaromtrent niet kunnen verstaan, het geschil aan den rechter wordt onderworpen, zonder dat de wet daarbij vordert dat partijen dien staat en het daarop gedaan aanbod zullen toelichten ; dat nu in casu die procedure door partijen is gevolgd, door over en weder van den rechter te vorderen dat