is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat echter vooraf behoort te worden onderzocht of het ingesteld beroep, voor zooveel den tweeden requirant betreft, wel ontvankelijk is;

O. te dien aanzien, dat ingevolge art. 97 juncto art. 104 van het Reglement op het rechtswezen in de residentie Amboina (Staatsblad 1882 no. 29) de aanteekening van cassatie tegen de daarvoor vatbare vonnissen der landraden kan geschieden door den requirant of wel namens dezen door een gemachtigde, daartoe voorzien van een volmacht, welke of notariëel moet zijn verleden of, zoo zij ondershands wordt opgemaakt, moet zijn gelegaliseerd;

dat aangezien nu niet blijkt dat op zoodanige wijze Jacoba de Oosta door tweeden requirant tot cassatieaanteekening namens hem was gemachtigd, hij ook met zijn beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard;

O. eindelijk met betrekking tot het door eersten requirant ingestelde beroep, dat dit als ongegrond dient te werden verworpen, omdat art. 548 van het Burgerlijk Wetboek niet op partijen van toepassing is en alzoo in casu van eene verzuimde dan wel onjuiste toepassing dier wetsbepaling ook geen sprake kan zijn;

Gelet enz.;

Rechtdoende,

Verklaart het beroep in cassatie wat aangaat den tweeden requirant te zijn niet ontvankelijk;

Verwerpt dat beroep ten aanzien van den eersten requirant;

Veroordeelt de beide requiranten in de kosten in cassatie gevallen.

Zitting van 80 Januari 1890.

Voorzitter: als voren.

Art. 210 en 215 Im„ Regl. — Cassatie.

Tegen de beslissing van den landraad op het verzet tegtn de tenuitvoerlegging van bevolen gijzeling, op grond van de onwettigheid daarvan, kan niet in cassatie gekomen worden.