is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslist heeft uitgemaakt dat de naamteekening onder dien brief groote overeenkomst heeft met het schrift van een door requirant als van hem afkomstig erkend schriftuur;

dat overigens de beoordeeling der aan wettige bewijsmiddelen toe te kennen waarde geheel aan den judex facti is overgelaten en geen punt van onderzoek voor den cassatierechter kan uitmaken;

O. dat nu alle door den requirant opgeworpen cassatiemiddelen zijn bevonden ongegrond te zijn, het Hof ambtshalve heeft te onderzoeken of er gronden zijn, welke tot cassatie van het vonnis in appel zouden kunnen leiden;

O. dienaangaande, dat de raad van justitie bij zijn bestreden vonnis terecht heeft hersteld het door den eersten rechter begaan verzuim om, zonder rekening te houden met de door Staatsblad 1889 no. 149 in art. 307 van het Inlandsch Reglement aangebrachte wijziging, de teruggave van de niet verbeurd verklaarde als stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen aan den eigenaar, zonder nadere aanduiding, te gelasten ;

dat echter daarbij de raad van justitie, door in zijn vonnis te bevelen dat de teruggave dier overtuigingsstukken zal plaats hebben na verloop van eene maand, nadat zijn vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, het aangehaald Staatsblad 1889 no. 149 verkeerd heeft toegepast, daar hij bij zijne rechtspraak in appel niet, zooals hij deed, had op te volgen het bij hetzelfde Staatsblad gewijzigde art. 17 0 van het Reglement op de Strafvordering, doch het voor den landraad geldende voorschrift van art. 307 van het Inlandsch Reglement, zooals het bij meermeld Staatsblad is gewijzigd, en waarbij de in het vonnis te bepalen termijn, na verloop van welken de overtuigingsstukken behooren te worden teruggegeven, is gesteld op acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan;

O. dat dientengevolge het vonnis, waarvan cassatie, te dien aanzien ambtshalve behoort te worden vernietigd en het Hof thans de zaak ten principale in zooverre heeft af te doen;

Gelet, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke bepalingen, op de artt. 171 en 173 van het Reglement op de Rechterlijke