is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der rechterlijke politie indienen eener lasterlijke aanklacht, daarstellende het misdrijf bedoeld bij art. 287 der Strafwetboeken voor Europeanen en Inlanders;

O. dat de raad van justitie te Batavia dien rechtsingang tegen den eersten verdachte E. E. E. heeft geweigerd op grond dat niet is gebleken, dat tegen hem ter zake van bovenvermelde schriftuur eene aanklacht is ingebracht;

O. dat de grond dier beslissing is juist, vermits art. 10 van het Regl. op de Strafv. voorschrijft dat o. a. in zake van laster geene vervolging door het O. M. mag plaats hebben dan op aanklacht der beleedigde partij;

dat de officier van justitie nu wel, blijkens zijn tegen's Raads uitspraak tempore utili aangeteekend verzet, sustineert dat, vermits voorzegd wetsartikel eene uitzondering bevat op het uit den aard der zaak (krachtens art. 9 Sv.) aan het O. M. toekomend recht om misdrijven ambtshalve te vervolgen en derhalve is strictae interpretationis, de Raad ten onrechte liet voorschrift van dat artikel heeft uitgebreid tot het misdrijf van lasterlijke aanklacht, doch dit sustenu door het Hof niet wordt gedeeld;

dat immers art. 10 in het algemeen spreekt van laster en alzoo blijkbaar bedoelt eiken vorm, waarin laster zich overeenkomstig de § 2 der 7e afdeeling van het 2e Boek, 2den Titel van voorzegde Strafwetboeken voordoet en is strafbaar gesteld en dus ook in dien van eene lasterlijke aanklacht als waarvan in art. 287 sprake is;

dat de juistheid hiervan wordt bevestigd door de ratio legis van art. 10 Sv., vermits daarin de wetgever van eene ambtshalve vervolging door het O. M. blijkbaar die misdrijven heeft uitgezonderd, welke meer rechtstreeks de belangen van het beleedigd individu en niet het algemeen belang raken, en het nu wel aan geen redelijken twijfel onderhevig is dat het privaat belang evenzeer op den voorgrond treedt bij laster gepleegd in den vorm eener aanklacht bij bovenvermelde autoriteiten (art. 287) als bij laster gepleegd op eene der wijzen vermeld in art. 282;