is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat tocli bet misdrijf van lasterlijke aanklacht dit privaat karakter niet verliest op grond dat, gelijk de officier van justitie van oordeel schijnt te zijn, zij bij eene der bedoelde autoriteiten moet worden ingediend, vermits zoowel in het geval van art. 28 2 als in dat van art. 287 het motief der strafbaarheid der daarbij bedoelde handelingen bestaat in de opzettelijke ten laste legging van handelingen, welke den geimputeerde zouden kunnen blootstellen of aan eene strafvervolging of aan de verachting en den haat der ingezetenen en het algemeen belang nu geenszins gelaedeerd wordt door de omstandigheid dat de laster is gepleegd in eene bij een der gezegde autoriteiten aangebrachte aanklacht;

dat eindelijk het feit dat blijkens de beraadslagingen over art. 22 der Ned. Strafvordering, waaruit dat eerste lid van art. 10 der N. I. Strafvordering is overgenomen, de Regeering geweigerd heeft om de door haar voorgestelde uitdrukking „ schennis van vrijwillige bewaargeving, — eene der species waaronder zich het genus misbruik van vertrouwen," kan voordoen — door dat genus te vervangen, wel verre van, gelijk de Procureur Generaal vermeent, het bewijs te leveren dat de wetgever elke uitbreiding der woorden, waarin de bevoegdheid van het O. M. wordt beperkt, heeft willen verbieden, integendeel tot de gevolgtrekking moet leiden dat, nu in dat artikel wordt gesproken van laster in het algemeen, derhalve van het genus, de wetgever geenszins de lasterlijke aanklacht, de species, heeft willen uitzonderen, vermits hij toch, ware dit zijne bedoeling geweest, zeer zeker daarvan expressis verbis zou hebben doen blijken;

O. dat de raad van justitie mitsdien terecht beslissende dat de bij de wet gevorderde aanklacht tegen den gedaagde F. ontbreekt, nogtans, in stede van den gerequireerden rechtsingang te weigeren, het O. M. met zijn daartoe strekkend requisitoir niet ontvankelijk had behooren te verklaren, op grond dat een der voorwaarden — nl. de vereischte aanklacht der beleedigde partij — voor de strafvervolging ontbreekt;

dat tengevolge dezer beslissing de connexiteit der zaak van den verdachte F. met de overige vier inlandsche verdachten