is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CASSATIE.

HOOG-GERECHTSHOE YAN NEDERLANDSCH-INDIE, (Eerste Kamer).

Zitting van 26 Juni 1890.

Voorzitter: Mr. J. Sibenius Trip.

Artt. 77, 97 en 99 Riouw Regl. in Staatsblad 1882 no. 84 (artt. 159, 195 en 197 Inl. Regl.) — Art. 54 eodem. — Suppletoire eed. —

Gevolg. — Reconventioneele eisch.

liet relaas van den griffier van den landraad dat hij aan partijen heeft aangezegd dat het vonnis in appel hij den landraad is ingekomen, zonder vermelding dat die aanzegging geschied is krachtens last of opdracht van clen president van den landraad, is geen wettige aanzegging volgens art. 99 Riouw Reglement (art. 197 lnl. Regl.).

Na aflegging van den suppleloiren eed dat zeker hedrag verschuldigd is, ten einde daardoor het toe te wijzen hedrag vast te stellen, moet de landraad dat hedrag toewijzen. Tegen deze eindbeslissing kan niet in appel opgekomen worden, zoo niet tevens geappelleerd is van het vonnis, waarhij de eed werd opgedragen.

De raad van justitie in hooger beroep van een landraadvonnis alleen op het introductief rekest en antwoord rechtdoende, en niet op een proces-verhaal van commissarissen uit den landraad en het daaromtrent door partijen ter terechtzitting verklaarde, heeft art. 97 Riouw Reglement (art. 195 Inl. Regl.) niet geschonden of verkeerd toegepast.

De rechter rechtdoende op eene iegenvordering van den verweerder, die niet hij zijn schriftelijk antivoord op den eisch, doch later gediend is, heeft art, 54 van het Riouw Regl. geschonden.

Tjioe IJoek, requirant van cassatie, comp. bij den adv. en proc. Mr. A. H. du Mosch, contra

Tjioe Kam, gerequireerde in voorschreven cas, comp. bij den adv. en proc. Mr. D. Fock.

LY. 14