is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den gedaagde, wel degelijk bewijzen tegenover de eischeresse, omdat zij zich op die stukken beroept en dus geacht moet worden hetgeen daarin staat uitdrukkelijk te erkennen;

dat nu uit die extracten tegenover eischeresse onwederlegbaar blijkt dat in het geheele jaar 1885, en dus ook op 29 Augustus en 11 December 1885 (de data der door eischeresse bedoelde accepten) dé gedaagde niets hoegenaamd van Weijergang heeft gekocht noch eenige andere overeenkomst van welken aard ook met dezen heeft gesloten, maar niets anders heeft gedaan dan maar accepten aan Weijergang af (e geven, zoodat eischeresse met de door haar zelve geproduceerde bescheiden het volledig bewijs heeft geleverd, in de eerste plaats: dat er in het jaar 1885 tusschen gedaagde en Weijergang niet de minste handelsbetrekkingen hebben bestaan, en in de tweede plaats: dat alle de op die extracten vermelde orderbriefjes, en in het bijzonder die van 29 Augustus en 11 December 1-85 onmogelijk hunnen oorsprong kunnen danken aan handelstransactiën;

dat, bij vernietiging van het interlocutoir vonnis a quo, ook ten principale zal kunnen worden recht gedaan;

dat uithoofde van de onduidelijkheid van den introductieven eisch deze zal behoorén te worden verklaard niet ontvankelijk .

dat, wanneer men aanneemt dat de dagvaarding inhoudt de terugvordering eener geldsom, alsdan de vordering, bij ontstentenis van eenig bewijs, behoort te worden ontzegd;

dat daarentegen, indien wordt aangenomen dat in casu is ingesteld eene wisselrechtelijke actie, deze niet ontvankelijk is, omdat de geschriften, waaruit eischeresse beweert te ageeren, niet ten processe zijn overgelegd en het bestaan daarvan is en wordt ontkend;

dat zelfs, al werden de geschriften, waaruit eischeresse beweert te ageeren, ten processe overgelegd, ook dan nog hare actie haar niet zoude kunnen volgen;

dat toch volgens het vonnis a quo (op het voetspoor van de conclusie van eisch incidenteel) de actie zoude zijn ontleend aan de artt. 170, 185 en 208 van het Wetboek van Koophandel, op grond dat D. B. eijergang voor den gedaagde zoude zijn