is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 14 Augustus 1890. Voorzitter: als voren.

Abt. 131 Regl. Sitm. Westk. (Staatsblad 1874 no. 94^).—

SüPPLETOIBE EED BIJ EINDVONNIS IN APPEL OPGELEGD.

Art. 7 van Staatsblad 1876 no. 35.

De bepaling van art. 131 laatste alinea van hel llegl. Sim. Westk. (Staatsblad 1874 no. 94 b), dal de appèlrechter, alvorens bij eindvonnis te beslissen, eene praeparaloire of interlocutoire uitspraak kan doen, belet hem niet bij eindvonnis eenen suppleloinn eed op te leggen.

De rechter overwegende dal eischeresses gepraelendeerde rechten op gronden niet helder blijken en dat zij en hare vooronders die reeds vóór zeker tijdstip hebben bezeten, beslist daardoor dat voor de vordering wel eenig bewijs aanwezig is en kan dus den suppletoiren eed opleggen.

Bij art. 7 van Staatsblad 1870 no. 35 zijn de vermogensrechten der lijfeigenen ter Sumalra's Westkust na hunne vrijverklaring niet in het algemeen geregeld.

Si Biclin galat Datoeq Bagindo, reqniraut van cassatie, comp. bij den adv. en proc. Mr. D. Fock, contra

Si Taloen, gerequireerde in voorschreven cas, comp. bij den adv. en proc. Mr. 11. Tj. Mees.

HET HOOGGERECHTSHOF VAN NE DE R L AN DSC H-IN DIE,

. Gelezen liet door den raad van justitie te Padang tusschen den thans requirant van cassatie, als geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde, en de thans gerequireerde, als appellante, oorspronkelijk eischeresse, gewezen en op den 31en October 1889 uitgesproken vonnis, in liooger beroep van dat van de Rapat te Padang Pandjang ddo. 7 Januari te voren tusschen partijen gewezen, waarbij de gronden in geschil tijdens de onteigening