is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RAAD A 7 AN JUSTITIE TE BATAVIA,

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten, overnemende het exposé daarvan, verver in 's raads vonnis tusschen partijen gewezen dd. 6 December 1889, waarbij, alvorens ten principale uitspraak te doen, aan den eischer is opgedragen om, in tegenwoordigheid van de tegenpartij of dtze behoorlijk opgeroepen, den navolgenden eed af te leggen:

„dat het waar is dat de op 12 Januari 1889 in het door „hem gehuurde en mede bewoonde huis op Pegausaan in beslag „genomen goederen door hem gekocht zijn en hem toebehooren", met bepaling dat deze eedsaflegging zal plaats hebben ter's raads terechtzitting, te houden op Vrijdag den 31 Januari 1890, des voormiddags te 10 ure en met reserve der kosten tot de einduitspraak ;

En wijders:

O. dat ter rolle van 17 Januari 1890 de eischer heeft ge diend van conclusie van eisch incidenteel, inhoudende:

dat bij 's raads tusschen partijen gewezen vonnis van den 6den December 1889 aan den eischer is opgedragen een in dat vonnis omschreven eed af te leggen ter terechtzitting van den raad;

dat bij art. 1944 Burgerlijk Wetboek onder anderen is bepaald dat, ingeval een wettig beletsel de aflegging van den eed ten overstaan van den rechter, die van het rechtsgeding kennis neemt, onmogelijk maakt, en de woonplaats van hem, die den eed moet uitzweren, verwijderd en buiten het rechtsgebied van het rechterlijke collegie gelegen is, het afnemen van den eed kan worden opgedragen aan het hoofd van het bestuur der woonplaats of des verblijfs van dengene, die tot de eedsaflegging verplicht is;

dat de eischer sedert reeds eenige maanden op daggeld werkzaam is bij de Staatsspoorwegen en woonachtig te Tritee in de afdeeling Tjilatjap van de residentie Banjoemas;