is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat gedaagde zich daarom dan ook verzet tegen inwilliging van eischers eisch, en bovendien nog omdat hij in de eedsaflegging ter volle terechtzitting van den raad meerdere waarborgen ziet voor de betrouwbaarheid van eischers eed, dan wanneer die eed zoude worden afgelegd alleen voor het hoofd van plaatselijk bestuur;

op grond waarvan, acte verzoekende van de gedane referte aan 's raads prudentie, voor antwoord incidenteel is geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van den eischer met zijnen gedanen eisch incidenteel en daarbij genomen conclusiën, immers tot ontzegging daarvan cum expensis;

O. dat hierop bij conclusie van eisch incidenteel subsidiair namens den eischer is aangevoerd :

dat de door den eersten gedaagde geopperde twijfel of eischers eisch incidenteel van 17 Januari 1890 niet zoude zijn praetnatuur en strijdig met de procesorde, voorgeschreven bij art. 52 Rechtsvordering, is ongegrond, daar dit artikel, blijkens zijn duidelijken inhoud, alleen toepasselijk is wanneer na oproepiny door de wederpartij , de partij aan welke de eed is opgelegd, niet verschijnt, welke oproeping niet heeft plaats gehad;

dat de redenen, die den eischer verhinderen om den eed ter 's raads terechtzitting te komen afleggen, voorkomen alleszins wettig te zijn en het onderhavig geval niet is gelijk te stellen met dat beslist bij 's raads vonnis van 28 December 1888 in zake Stuur contra Dermout,;

dat immers eicher niet alleen niet bij machte is de hooge kosten der reis herwaarts en terug (ook als passagier tweede klasse) te betalen, maar bovendien ten gevolge dier reis zijn bestaan zoude verliezen, en dit laatste alleen leeds als een wettig beletsel mag worden aangemerkt;

dat de tegenwerpingen door den eersten gedaagde ontleend aan zijn recht om de eedsaflegging bij te wonen en aan de meerdere plegtigheid dier ceremonie op eene volle terechtzitting, van geene beteekenis zijn, nu eenmaal de eedsaflegging, gelijk door den eischer verzocht, door de wet wordt toegelaten;

dat echter de eerste gedaagde, hoewel het hem gemakkelijk zou vallen om zich van de waarheid van het door eischer aan-