is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGERLIJKE ZAKEN.

HOOGER BEROEP.

HOOG-GE RECHTS HOF VAN NEDERLANDSCH-INHIE, (Eerste Kameii).

Zitting van 14 Februari 1889.

Voorzitter: Mr. J. Sjbenius Trip.

Eene door B afgegeven kwitantie, bevattende de erkenning van ontvangst eener huur som van A , waaraan ten processe is toegevoegd dat die kwitantie betreft eene tusschen B. en C. gesloten huurovereenkomst, bewijst alleen dat de huur niet ontvangen is van den huurder, maar van A.

Eene huurovereenkomst van roerende en onroerende goederen, waarin niets vervuld is omtrent uitvoering of exploitatie eener landbouwonderneming, valt niet in de termen van art. 581 sub 4o. Ro., al is in de huur begrepen een perceel door de Regeering aan den verhuurder in erfpacht uitgegeven.

Liauw Kok San, appellant en incidenteel geintimeerde, c mp. bij den adv. en proc. Mr. P. Maclaine Pont, contra

W. van Klommestein, geintimeerde en incidenteel appellant, con>p. bij den adv. en proc. Mr. K. Tj. Mees.

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-1NDIE,

Gehoord partijen; Gezien de stukken ; Ten aanzien der daadzaken:

Overnemende de uiteenzetting daarvan vervat in het op 20 LV. 20