is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken ;

Met betrekking tot de daadzaken, overnemende liet exposé daarvan vervat in liet door den raad van justi ie te Soerabaja op 2 April 1890 tusschen partijen gevvezen vonnis, waarbij die rechtbank zich bevoegd verklaard heeft van de tegen de oorspronkelijk gedaagde, thans appellante, ingestelde vordering kennis te nemen, met veroordeeling van haar in de kosten der exceptie;

En wijders :

O. dat gedaagde zich met deze uitsp aak bezwaard achtende, daarvan is gekomen in hooger beroep en ter adstructie liarer grieven hoofdzakelijk heeft aangevoerd:

dat de Wees- en Boedelkamer zonder eetiige bijgevoegde kwaliteit gedagvaard is, wat al dadelijk ten gevolge heeft dat, vermits de Boedelkamer als zoodanig steeds voor den Landraad justiciabel is, de raad van justitie is onbevoegd, hetgeen zoo blijft als men uit het corps der dagvaarding de gevolgtrekking mag maken, dat appellante als Boedelkamer in rechten is geroepen, aangezien men dan te doen heeft met eene hereditatis petitio ingesteld door een Chinees tegen de Wees- en Boedelkamer als belieerende een Chineeschen boedel en derhalve de zaak bij den Landraad behoort, daar art. 834 B. W. in een titel staat bij Staatsblad 1855 no. 79 niet op Chineezen van lotpassing verklaard;

dat bovendien het geheele geding beheerscht wordt door de vraag van zuiver Chineesch recht of een door den echtgenoot eener Chineesche vrouw geadopteerde jongen ook de filius adoptivus van die vrouw is, hetgeen al wederom door den Landraad moet worden beslist;

wordende mitsdien voor eisch in appel geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis a quo en toewijzing van de opgeworpen exceptie van incompetentie, met verwijzing van den geintiiu«erde in de kosten van beide instantiën;