is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Djaksa, tenzij daarop door den eigenaar of rechthebbende binnen voormelden termijn beslag zij gelegd overeenkomstig de wet en van het paard aan den medebeklaagde Aboesoekoer; Veroordeelt den Lande in de kosten in revisie gevallen.

REVISIE.

(Derde Kamer).

Zitting van 12 September 1890.

Voorzitter: Mr. M C. Piepers.

Waar de djaksa de veroordeeling van den beklaagde vraagt ter zake van een ander feit dan het lij de acte van verwijzing ten laste gelegde, behoort de landraad hem in zijne voulering tol straf niet ontvankelijk te verklaren.

HET HOOG GERECHTSHOF VAN NEÜERLANDSCH-IND1E,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Mertoadinodjo en het in die zaak op den 18den Juni 1890 door den landraad te Ngandjoek gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan: medeplichtigheid aan diefstal met buitenbraak in een bewoond huis, door het des bewust helen van het gestolene, onder verzachtende omstandigheden, en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van vier jaren, met verdere veroordeeling van den beklaagde in de kosten van het rechtsgeding, en met last, dat de als stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen, na verloop van acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zullen worden tei uggegeven, te weten: het kleedje batik lassem, de slendang batik danliris, het kleedje batik lassem aan den pandhouder te Djombang, met name Oei King Hwat, de muts aan den getuige Samin, de slendang batik Solo tenga poetih aan getuige