is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Pa Markidjan en het in die zaak op den löden Juli 1890 door den Landraad te Probolinggo gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan: „het door nalatigheid mogelijk maken van de ontvluchting van een gevangene, beklaagd van een misdrijf, waartegen de straf van dwangarbeid in den ketting van vijf tot tien jaar is bedreigd en met wiens bewaking hij was belast," en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee maanden en in de kosten van het rechtsgeding ;

Gezien de schriftelijke conclusie, namens den Procureur-Generaal door den Advocaat-Generaal Mr. J. van Assen genomen, en gedagteekend den 25sten Augustus 1 890, daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof het vonnis moge bekrachtigen;

Gehoord het rapport van den Raadsheer J'nr. Mr. J. W. A. von Schmidt auf Altenstadt;

O. dat de beklaagde tempore utili heeft verklaard van dit vonnis revisie te verlangen;

O. dat aan beklaagde bij de acte van beschuldiging, in overeenstemming met de acte van verwijzing, is ten laste gelegd, dat hij door nalatigheid den persoon van Sadie, die door zijn dorpshoofd op aangifte van zekeren Pa Soeno, als zou hij hij nacht uit de met het woonhuis van dezen op één geheel omheind erf staande kraal een rund ontvreemd hebben, was gevangen genomen, en met wiens bewaking hij door het dorpshoofd was belast, in de gelegenheid hebben gesteld te ontvluchten ;

O. dat de Landraad deze feiten door het ter terechtzitting gehouden onderzoek terecht als rechtens bewezen heeft aangenomen, doch dat hij ten onrechte ter zake daarvan eene schuldigverklaring en veroordeeling tot straf tegen beklaagde heeft uitgesproken, vermits die feiten misdrijf noch overtreding vormen;

O. immers dat de strafwetgever, hoezeer ten aanzien van dit onderwerp in art. 170 van het Strafwetboek voor Inlanders