is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken hebben verzocht, zijnde daarop de nederlegging der stukken ter tafel gelast en de uitspraak bepaald op lieden; Ten aanzien van het recht,

O. dat de gedeclareerde bij arrest van het Hoog-Gerechtshof van Nederlatidsch-Indië van 27 September 1888 (1) is veroordeeld oin aan declarant te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, door dezen gehad en geleden ten gevolge van het ten verzoeke van gedeclareerde op den 19den September 1887 onrechtmatig gelegd executoriaal beslag op de goederen van declarant en van den daarop gevolgden executorialen verkoop dier goederen;

O. dat partijen zich niet hebben kunnen verstaan over het bedrag dier kosten, schaden eii interessen, hebbende gedeclareerde slechts aangeboden de som van f 2779.15, welke de goederen op publieke veiling hebben opgebracht, met de wette lijke interessen daarover van af 17 September 1887 tot en met den dag van het aanbod (20 December 1888), terwijl declarant na de vermindering van zijnen eisch nog is blijven vorderen vooreerst eene som van ƒ 3186.71, dat is de waarde dier goederen volgens de schatting der door den Ilove benoemde deskundigen, met 6 % rente's jaars van af den dag der introductieve dagvaarding (11 November 18 u 7) tot de volle voldoening toe; verder 446 malen de winst ad ƒ 6.36 5 , welke declarant volgens de deskundigen per etmaal beeft kunnen maken, en eindelijk nog zoo vele malen die winst a's er dagen zullen verhopen van af 8 December 1888, den dag waarop de schadestant aan gedeclareerde werd beteekend, tot de algeheele voldoening van de kosten, schaden en interessen;

O. wat het eerste gedeelte van den verminderden eisch betreft, dat dit kan worden toegewezen, aangezien, volgens de taxatie der deskundigen, waartegen bet Hof geene bedenkingen heeft, de bij execut e verkochte goederen gercht moeten worden inderdaad zooveel waard te zijn als thans daarvoor wordt geeischt; O. ten aanzien van het overige gedeelte van den eisch, dat declarant te kort is geschoten in het bewijs van zijn

(1) Opgenomen in deel LI pag. 406 sqq. van dit Tijdschrift.