is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordende voor antwoord in appel geconcludeerd, tot niet ontvankelijk verklaring van appellante met hare in hooger beroep genomen conclusiën, immers ontzegging van die conclusiën, zoomede tot het verleenen van acte aan geintimeerde, dat hij zijn in eersten aanleg gedanen eisch beperkt tot de proceskosten, en tot verwijzing van appellante in de kosten van beide instantiën;

O. dat partijen hierna hare sustenuen nog mondeling bij pleidooi hebben toegelicht, waarbij namens appellante acte gevraagd is dat zij ontkent door geintimeerde te zijn ontslagen van hare verplichting om overeenkomstig het vonnis a quo rekening en verantwoording te doen;

hebbende het Hof vervolgens, na acte verleend te hebben, waarvan acte gevraagd was, de nederlegging der stukken ter tafel gelast en de uitspraak bepaald op heden ;

Ten aanzien van het recht,

O. in de eerste plaats met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hooger beroep,

dat appellante, alvorens op 5 Mei 1890 van het haar den 20sten Februari te voren beteekend vonnis in hooger beroep te gaan, aan geintimeerde op 12 Februari 1890 eene rekeningcourant ingediend en den löden van dezelfde maand liet hem volgens die rekening competeerend saldo uitbetaald heeft;

dat geintimeerde nu beweert „appellante daartegen van hare verplichting om overeenkomstig het vonnis a quo rekening en verantwoording te doen te hebben ontslagen";

dat appellante zulks echter ontkent en dit niet vaststaande, zij er belang bij had dat hare grieven tegen de uitspraak van den eersten rechter op de hoofdzaak door den rechter in appel werden onderzocht en zij mitsdien ontvankelijk is in het door haar ingesteld hooger beroep;

O. dat intusschen geintimeerde er acte van gevraagd heeft dat hij zijn oorspronkelijken eisch beperkte tot de proceskosten en, hoewel de noodzakelijkheid eener beslissing omtrent de hoofdzaak hierdoor is komen te vervallen, ter beslissing van de vraag of appellante terecht tot de betaling dier proceskosten is veroordeeld, behoort te worden nagegaan of door den eersten