is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelet op de aangehaalde en de artt. 171 en 173 van het 11. op de R. O. en 58, 411 en volgende van het R. op de B. R.;

Rechtdoende,

Verklaart den rcquirant niet ontvankelijk met het door hem ingesteld beroep in cassatie;

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen.

Zitting van 13 November 1890. Voorzitter: als voren.

De rechter — al zij het ten onrechte — aannemende, dat eene lusschen partijen geslotene overeenkomst betreft eene vervreemding van gebruiksrechten op den grond door eene» inlander aan eenen niet-inlander, beslist terecht dat de Ordonnantie in Staatsblad 1875 no. 179 die vervreemding niet toelaat.

In dat geval is de rechter, krachtens art. 182 Inl. llegl., tot de toepassing dier Ordonnantie verplicht, al is daarop door geene der partijen beroep gedaan.

In civil bus mag de cassatierechter niet ambtshalve gronden voor de cassatie aanvoeren of aanvullen.

Ofij An Djan, requirant van cassatie, contra

Setrodito alias Kaliman, gereqnireerdo in voorschreven cas.

HET HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gelezen het op den 16den Juni 1890 door den Landraad te Probolingo tusschen den thans requirant, als eischer, en den thans gerequireerde, als gedaagde, gewezen en op den 23sten Juni d. a. v. uitgesproken vonn's, waarbij den eischer zijn eisch is ontzegd en hij in de kosten van het geding tot op den dag der uitspraak begroot op f 23, is veroordeeld;

Gelet op het afschrift uit het daartoe bestemde register, aangehouden ter griffie van den landraad voornoemd, waaruit blijkt,