is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGISTER

op Het liVI't» Deel van het Tifdachrlft

HET RECHT IN NED.-INDIE.

VERHANDELINGEN.

Art. 109 van het Regeerings-Reglement voor Nederlandsch-Indie 1, 73, 147

BURGERLIJKE ZAKEN.

HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE, (Eebbte Kameb).

EERSTE AANLEG.

Ambtshalve onbevoegdverklaring. — Vorderingen betreffende de pachten.—Art. 98 R. R.—Staatsblad 1854 no. 75.

Eene schadeactie tegen de Regeering ingesteld wegens een reeds opgeheven beslag, gelegd ter tenuitvoerlegging van de grosse eener notariëele acte, waarhij het recht tot verkoop van opium in het klein is afgestaan en waarbij de beslagene zich borg gesteld heeft, — op grond dat de beslagene bij die acte geene partij geweest en ter zake van borgtocht niets aan de Regeering verschuldigd was — kan niet in eersten aanleg voor het Hoog-Gerechtshof worden aangebracht, als betreffende 's Lands pachten 177

HOOGER BEROEP.

Erkenning. — Bewijs. — Artt. 281 en 472 B. W.

De toestemming eener vrouw in de erkenning van een kind door den vader levert wel een vermoeden op, dat die vrouw gezind was dat kind als het hare te erkennen, doch bewijst die erkenning niet.

De actie uit art. 472 al. 1 B. W. competeert slechts hem, die aantoont erfgenaam te zijn van den afwezige 219

Art. I R. R. — Art. 32 Compt. wet — Art. 8 Staatsblad 1853 no. 86, — De eed bij art. 809 Kh. bedoeld