is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit kwam ook beter uit in art. 8 der Alg. Bep., waarin de 8e alinea wortelt en waar zeer correct gesproken werd van „alle anderen, die Moliamedanen of heidenen zijn."

Men vergat het woord anderen over te nemen, het blijkbaar overbodig achtende bij oordeelkundige lezing.

De categorie sub lo. omvat nu alle Arabieren, of ze ^loliamedanen zijn of niet.

De categorie sub 4o. omvat alle niet-europeesche en nietinlandsche Moliamedanen van welk ras of welke nationaliteit ook.

Men ziet dus dat bij de gelijkstelling met inlanders tweeërlei criteria gelden: landaard èn godsdienst, en bij de historische ontwikkeling bleek dat dit ook de zienswijze was der Kamer, 1) die juist den godsdienst als criterium wilde zien wegvallen uit deze alinea en van oordeel was dat, door het blootelijk noemen van den landaard, het doel der gelijkstellingen even goed te bereiken zou zijn 2). Maar de Regeering wilde óók, scil: nevens den landaard, het criterium van den godsdienst behouden, en zoo bleven de beide criteria gehandhaafd.

Voor de categoriën 1, 2 en 3 is de landaard beslissend.

Voor de 4e en 5e categorie is de beleden godsdienst de toetssteen.

Terecht ook de 5e afzonderlijk genoemd: de heidenen, dat zijn zij die geen geopenbaarden godsdienst hebben, ergo die niet zijn: Jood, Christen, Moharaedaan, maar tevens niet zijn inlanders, want behooren er heidenen tot de inheemsche bevolking, dan worden ze niet gelijkgesteld aan, maar zijn inlanders.

Ieder die uit de inheemsche bevolking in Nederlandsch-Indië is geboren, is inlander.

Ieder die behoort tot eene der genoemde vijf categoriën, is gelijkgesteld aan den inlander.

Wie Arabier is, Moor, Chinees, onverschillig welken godsdienst hij belijdt, of hij Jood is of Christen of Mohamedaan, hij is gelijkgesteld aan den inlander ómdat hij is Arabier, Moor, Chinees. De woorden van de wet zijn duidelijk, en tevens de weerslag van de bedoeling die bij de wording heeft voorgezeten.

1) pag. 9.

2) pag. 9 en Keuchenius II 152.