is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

atlegge» eener valsche verklaring genoegzaam ware om volgens het stelsel van den Indisehen Strafwetgever het misdrijf van valsch getuigenis te vormen;

O. alsnu, met toepassing hiervan bij het door den thans beklaagde gepleegde feit, dat uit het gerechtelijk onderzoek moet worden aangenomen, dat hij vorenvermelde met de waarheid strijdige getuigenis blijkbaar alleen heeft afgelegd om niet aan liet licht te doen komen, dat ook hij van den destijds beklaagde Sarpan een deel van de gestolene goederen had aangenomen, en mitsdien enkel met de bedoeling zich zeiven voor een strafvervolging, als reeds tegen de destijds beklaagden Nawidjan en Sampir was ingesteld, te vrijwaren;

dat de beklaagde derhalve daarbij niet had het misdadig opzet als boven omschreven, en de landraad hem mitsdien had behooren vrij te spreken, hetgeen thans alsnog door den rechter in revisie behoort te geschieden;

Gezien enz.;

Rechtdoende,

Doet te niet het tegen den beklaagde gewezen vonnis, hierboven omschreven;

Verklaart zijne schuld aan het hem ten laste gelegde niet bewezen;

Spreekt hem vrij van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

Beveelt dat hij omtniddellijk op vrije voeten zal worden gesteld, ten ware hij uit anderen hoofde in verzekerde bewaring zoude behooren te blijven;

Veroordeelt den Lande in de kosten van het rechtsgeding in beide instantiën.

Zitting van 12 December 1890.

Voorzitter: als voren.

A RTT . 265, 266 EN 269 I NL. R ege.

Al is in het proces verbaal der terechtzitting vermeld dat de bij art. 266 Inl. llegl. bedoelde toestemming en bewilliging gege-