is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king volkomen bewuste toestemming der daarin genoemde personen, daar immers alleen op die wijze de daarin vervatte garantie voor de verdediging van een beklaagde bestaanbaar is;

dat het echter onaanneembaar is, dat de beklaagde, terwijl hij aan den eenen kant alle schuld ontkent, indien hem het gewicht zijner toestemming ten deze volkomen duidelijk^ware geweest, toch zijne toestemming zou hebben gegeven om door het hooren onder eede van de bedoelde getuige, welker verklaring hij wist dat voor hem bezwarend inoest wezen, een bewijsmiddel in rechten tegen zich in het leven te roepen; en met het oog op den sterken band tusschen echtgenooten, naar de zeden der Chineezen, evenmin kan worden aangenomen, dat de bedoelde getuige, ware zij zich bewust geweest geheel vrij en zonder gevaar voor zich zelve ten deze te mogen handelen, er in bewilligd zoude hebben tegen haren man, den medebeklaagde Teng Ki Tjing, eene bezwarende verklaring onder eede af te leggen;

dat alzoo te meer, daar toch ook het proces-verbaal der terechtzitting van den landraad niet de overtuiging schenkt, dat de aard en gevolgen dezer bewilliging en toestemming aan den beklaagde of de getuige volkomen duidelijk zijn gemaakt, maar daarvan slechts blijkbaar bij wijze van eene formule melding maakt — moet worden aangenomen, dat de bedoelde getuigenis in strijd met de wet is afgelegd, en zij mitsdien door den rechter in revisie moet worden verworpen;

O. dat evenmin aan de getuigenis van den als zesden getuige door den landraad onder eede gehoorden getuige Rasikoen bewijskracht mag worden toegekend;

dat immers de ouderdom van dezen getuige in het procesverbaal is vermeld als naar gissing 15 jaren;

dat echter art. 269, lo. van het Reglement op de uitoefening der policie enz. verbiedt onder eede als getuigen te hooren kinderen van wtlke men niet met genoegzame zekerheid weet, dat zij den ouderdom van 15 jaren bereikt hebben;

dat zulk eene genoegzame zekerheid ten deze blijkbaar niet bestaat, en alzoo de beëediging van dien persoon in strijd inet de wet en wel met een voorschrift van openbare orde in de