is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoort; ze schept niet eene perpetuëele toepassing van liet privaatrecht van liet land van verblijf ook daar buiten; en waar dat recht gunstiger of milder of geheel afwijkend mocht zijn van het private recht van het land van afkomst, daar is het principe van art. 9 der Nederlandsche Algemeene Bepalingen, hetwelk in de andere Europeesche wetgevingen eveneens is aangenomen, een beginsel van loijale toepassing der gastvrijheid, eene internationale courtoisie, die den niet-landzaat in de gelegenheid stelt subject van rechten te zijn op denzelfden voet als de eigen landzaten; een principe dat hem niet rechteloos doet zijn, waar het private recht van het eigen land hem niet volgen kan in het vreemde; dat hem in staat stelt jure privato op te treden, en al die private rechtshandelingen aan te gaan, die vallen buiten den staat en de bevoegdheid der personen — maar een principe dat in geen enkel opzicht invloed heeft op de staatsrechtelijke positie, op het publieke recht waar dit den staat van den persoon beheerscht, die de nationaliteit omvat.

De regeling der nationaliteit behoort te huis in het staatsrecht. 1)

Voor den Pers die handelaar is te Arasterdam of te Parijs; voor den Turk en Arabier, die handel drijven te Marseille, Nice, Napels, — en er zijn er velen met dat doel daar gevestigd — geldt het private recht van Nederland, Frankrijk en Italië. Teruggekeerd in Perzië, Turkijë, Arabië, herneemt het private recht van den Islam zijne volle toepassing op hen, omdat zij bleven Pers, Turk, Arabier. Zoo ook met den. Chinees die in Nederland verbleef en terugkeert naar Indië. Zij hebben niet verkeerd in die condition supérieure, die enkele schrijvers over internationaal recht in de laatste jaren hebben willen invoeren en dan willen stellen tegenover de condition inférieure, waarin een persoon zou terugvallen; want, daargelaten dat zij dan den

1) Buijs, dc Grondwet I 43. Rapport der Staatscommissie van 1880 tot herziening van het Ned. B. W. in haar ontwerp.