is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestand van slavernij en lijfeigenschap op liet oog hebben, heeft dit omnium eonsensu alleen betrekking op de publiekrechtelijke en niet op de privaatrechtelijke positie van den persoon, en de eerste is buiten contest, want ze is die van Pers, Turk, Arabier of Chinees.

Aan het private recht van het staatsrechtelijk voor hen vreemde land, dat op hen voor een deel toepasselijk was tijdens hun verblijf, kunnen zij geen rechten ontleenen in het eigen land waar het niet toepasselijk is.

Neen, zij verkeerden noch in eene supérieure noch in eene inférieure conditie; zoolang zij in het land verbleven waren ze in een anderen privaatrechtelijken toestand; van een beteren, een gunstiger of voordeeliger, is daarbij juridisch geen sprake ómdat het is recht, erkend door het land waar men vrijwillig zich ophoudt, en bij de vaststelling waarvan niet gelet wordt, welke verschilpunten het oplevert met het private recht elders, maar alleen of het past voor het eigen volk, onder hetwelk anderen zich ophouden.

Publiekrechtelijk, ja, zou van eenen supérieuren rechtstoestand gesproken kunnen worden, en zoo is die van den Nederlander b. v. zoo oneindig gunstiger dan die van den Rus dat schier geene vergelijking mogelijk is. De publiekrechtelijke positie van den Chineeschen ingezetene van Ned.-Indië is oneindig gunstiger dan die van de Chineezen in Amerika, Noord en Zuid; en wat meer zegt, de publiekrechtelijke toestand van de Chineesche ingezetenen in Indië is niet zooveel ongunstiger dan die van de Europeesche ingezetenen; ze is alleen een andere en ze is nog oneindig hooger en gunstiger dan die van den Russischen onderdaan om bij het evengenoenade voorbeeld te blijven. Maar zelfs is de publiekrechtelijke positie van den Nederlander in Indië veel ongunstiger dan die van den Nederlander in het moederland; op den eerste is de Grondwet niet toepasselijk en bij het enkele betreden van den kolonialen bodem komt hij publiekrechtelijk in een geheel anderen toestand, ten eenenmale afwijkende van dien, welken hij bezat bij het verlaten van Nederland. Maar hierin is niets onbillijks noch voor