is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind uit hun huwelijk gesproten volgt den rechtstoestand zijns vaders.

Allen, onverschillig welken godsdienst zij belijden, zijn krachtens art. 109 van het Regeerings-Reglement gelijkgesteld aan inlanders.

Gelijkstelling van den vader met Europeanen geldt niet voor het kind.

De tweede alinea omvat, zooals we zagen, ook nog een andere categorie, sub 2o. hierboven genoemd : alle personen die noch Christen noch Europeaan zijn, en niet vallen onder de termen van alinea 3.

De Israëliet uit Amerika, Australië en Azië is hierdoor gelijkgesteld met den Europeaan ; niet de Israëliet in China geboren of in Arabië of in Egypte, want dan valt hij door zijne nationaliteit in de termen van de 3e alinea omdat hij dan is Chinees, Arabier of Moor en hierdoor met den inlander gelijkgesteld.

Uit het bovenontwikkelde volgt logisch wie door art. 109 met Europeanen, wie met inlanders worden gelijkgesteld; ook dat de inlanders die Christenen zijn niettemin inlanders blijven en eo ipso niet met Europeanen gelijkgesteld. En dit was dan ook de oorzaak waarom de minister Pahud kon verklaren, dat die verdeeling tot geene onzekerheid aanleiding gaf, wiens woorden ik in den aanvang in herinnering bracht. Zwichtende voor den aandrang der Kamer, om vooral in het RegeeringsReglement zeer nadrukkelijk te doen uitkomen, dat, al bleek voldoende uit het artikel dat de inlanders, ook al zijn ze Christenen, niet met Europeanen zouden zijn gelijkgesteld, in hun rechtstoestand geen de minste verandering werd gebracht, nam de Regeering, die haar stelsel had laten varen, alsnu ter voldoening aan dat verlangen der Kamer eene zinsnede op die daaraan uiting zou geven, en zoo ontstond :

Alinea IV: „De inlandsche Christenen blijven onderworpen aan het gezag der inlandsche hoofden, en met opzigt tot regten, lasten en verpligtingen. aan