is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenmin op de godsdienstige belijdenis gelet worden als in Nederland. Wel mist het Regeerings-Reglement eene bepaling analoog aan die van art. 5 der Grondwet, maar de koloniale staatsinstellingen huldigen in het zevende hoofdstuk van liet Regeerings-Reglement niettemin dezelfde beginselen en verbieden eveneens, dat bij de benoeming tot ambten op de geloofsbelijdenis zou worden gelet.

De heer Donner noemde het ephemerisch bestaan van een Koninklijk besluit alleen, edoch evenmin werd iets dergelijks bepaald in eenig legislatief product van een der beide andere koloniale wetgevers; evenmin in eenig besluit van de Indische Regeering; en dat dit ook een casus non dabilis is, had dien geachten afgevaardigde kunnen blijken uit de gezette studie der beginselen van ons koloniaal recht aangaande den godsdienst.

Wordt met den „publieken geest" in Indië bedoeld de openbare meening ? en dan die onder de Europeesche of inlandsche maatschappij ? of ambtenaarswereld ?

Ik kan den heer Donner de verzekering geven, dat ik nimmer iets van die publieke opinie in dien zin heb kunnen bespeuren, terwijl hij tevens de verzekering gelieve aan te nemen, dat door mij de strooming daarvan ook en speciaal ten aanzien van dat onderwerp nauwgezet wordt nagegaan.

De mogelijkheid dat een of ander ambtenaar, Europeesche of inlandsche, zich in den geest als door den heer Donner terecht gewraakt, kan hebben uitgelaten, geef ik onmiddellijk toe, maar dan is dat eene geisoleerde opvatting, subjectief, die alleen onkunde bewijst met de koloniale staatsinstellingen; die ook hier voorkomt, evenals ginds. Was het doel om aan zulk eene enkele ongemotiveerde meening een einde te maken, dan handelde de afgevaardigde van zijn standpunt zeer goed door eene pertinente verklaring van den Minister uit te lokken ter geruststelling van hen die in vreeze zijn.

Reeds vroeger was de vraag gesteld en in 1876 heeft de Minister van Goltstein haar ontkennend beantwoord en duidelijk en categorisch verklaard, dat een inlandsch hoofd tot het Christendom overgaande, daardoor niet ophoudt hoofd te zijn. Die