is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De door den lieer van Nunen voorgestelde beperkte regeling is saamgevat in de volgende punten :

lo. J)e ingezetenen van Nederlandscli -Indië worden verdeeld niet in twee maar in drie categorieën, en wel: a. Europeanen en niet hen gelijkgestelden ; b. inlanders en met hen gelijkgestelden; en c. inlandsche Christenen en met hen gelijkgestelden. Met inlandsche Christenen worden gelijk gesteld al degenen, die niet tot de Europeanen of met dezen gelijkgestelden belmoren, doch den Christelijken godsdienst belijden.

2o. De inlandsche Christenen zijn verplicht de kleeding te dragen, die hij den landaard van hun vader in gebruik is. Is hun vader onbekend, dan zijn zij vrij om of de Europeesche of de inlandsche kleeding aan te nemen. Zij mogen echter de eenmaal aangenomen kleeding niet veranderen.

3o. De inlandsche Christenen zijn onderworpen aan dezelfde hoofden, en met opzicht tot rechten, lasten en verplichtingen, aan dezelfde algemeene, gewestelijke en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als alle overige ingtzetenen, behoorende tot den landaard wier kleeding zij rechtens en feitelijk dragen, behoudens hetgeen in afzonderlijke verordeningen voor inlandsche Christenen is geregeld, en in het algemeen, behoudens alles wat mocht in strijd wezen met de voorschriften of gebruiken van den godsdienst, dien zij belijden.

4o. Voor de inlandsche Christenen en met hen gelijkgestelden bestaat geen burgerlijke stand. Hunne huwelijken worden gesloten volgens de voorschriften van den godsdienst dien zij belijden. De bewijzen van aldus voltrokken huwelijken, evenals de doopakten, afgegeven door den geestelijke van het kerkgenootschap waartoe zij belmoren, worden door de wet en de rechtbank beschouwd als geldige bewijsstukken, mits die verklaringen, wat de handtet kening van den geestelijke aanbelangt, gelegaliseerd zijn door het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur.

5o. Aan inlandsche Christenen, die in het bezit zijn van een bewijs als hiervoren bedoeld, kan door het hoofd van plaatselijk bestuur een bewijs van behoeftigheid worden afgegeven op den voet en de wijze en met de voorrechten als voor Kuropeanen