is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edoch wil men een ander Stelsel aannemen dan liet thans gehuldigde, ja, dan is voor de verwezenlijking daarvan eene herziening de conditio sine qua non. Dan plaatse men flink stelsel tegenover stelsel evenals onze vaderen deden in 1854; dan schare men zich of aan de zijde van den Minister Pahud die voorgesteld had : de inlandsche Christenen staan in rechtstoestand gelijk aan de Europeanen ómdat ze Christenen zijn — of aan de zijde der meerderheid van de tweede kamer van 1854, door wier verzet 's Ministers stelsel schipbreuk leed, en die decreteerde: de inlandsche Christen blijft inlander ook al belijdt hij het Christendom; het stelsel dat thans de materie beheerscht en in art. 109 is neergelegd, dat unaniem zonder hoofdelijke stemming werd aangenomen in de zitting van 4 Augustus 1854 der tweede kamer, die toch waarlijk niet hostiel was aan het Christendom, en tot welke aanneming medewerkten mannen als Groen van Prinsterer, Elout van Soeterwoude, Van Lijnden, Mackay, Van Nispen, steunpilaren van den Christelijker! godsdienst, Baud en Rochussen, bovendien nog kenneis der behoeften van de koloniën. Na den van beide zijden gevoerden loijalen kampstrijd bij de schriftelijke gedachtenwisseling, waarbij die eerbiedwaardige mannen zeker voor het andere stelsel een lans braken, legden die staatsmannen zich neder bij het stelsel der meerderheid. Ik wil hiermee in geen enkel opzicht beweren dat zij thans niet eene herziening zouden wenschen, verre van daar, maar ik wenschte te doen uitkomen dat de bestaande toestand door hen mogelijk en aannemelijk werd geacht, en ik heb grond voor deze bewering, daar anders hij de mondelinge behandeling van art. 109 in de openbare zitting door die zoo bij uitstek goed geharnaste ridders een parlementair steekspel zou te genieten zijn gegeven, zonder weerga.

En dan toetse men aan beide stelsels het belang der koloniën en van het moederland. liet geldt hier een zeer gewichtig vraagstuk, gewichtiger in de gevolgen dan velen vermoeden.

Eenerzijds kan men zich bij de keuze tusschen de beide genoemde stelsels op hetzelfde standpunt blijven plaatsen als de meerderheid der kamer in 1854 en dezelfde argumenten aan-