is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de tweede gedaagde bij de geïncrimineerde conclusie slechts heeft verzocht, dat de conclusie van eiscli incidenteel der le gedaagde, als met hare belangen in strijd, niet zal worden toegewezen, zoodat die niet is buiten de procesorde, en er alzoo geen termen bestaan haar buiten het geding te stellen;

O. alsnu ten opzichte van den eisch incidenteel der le gedaagde, houdende eedsopdracht aan de eischeres,

dat deze gedaagde reeds bij conclusie van antwoord van 28 Juni 1889 heeft verklaard, dat zij tegen de ingestelde vordering geen bezwaar heeft en ook nimmer gehad heeft, zoodat zij zich ten dien opzichte refereert aan 's rechters prudentie; dat zij immers steeds bereid geweest is het onderwerpelijk huurcontract, dat zonder hare voorkennis en tegen haren wil door haren lasthebber met de tweede gedaagde is gesloten, te vernietigen en zoo voort; wordende bij de bestrijding van de tegen haar gevorderde veroordeeling in de proceskosten nogmaals herhaald, dat zij geen tegenspraak voert en ten slotte gerefereerd aan 's rechters prudentie onder protest van kosten ;

O. dat de le gedaagde, door deze houding aan te nemen, in den eisch heeft berust en zich verder in dit proces den weg heeft afgesneden om eenige verwering tegen de hoofdzaak te voeren of eenig bewijsaanbod te doen, weshalve zij met hare thans gediende conclusie tot eedsopdracht niet ontvankelijk moet verklaard worden;

O. ten aanzien der hoofdzaak, dat de al of niet toewijzing daarvan afhankelijk is van de vraag, of de eischeres bij monde van haren vennoot Baud aan den gemachtigde van le. gedaagde, Said Alie bin Öemar Hindoean, toestemming heeft gegeven tot den verhuur der ten processe bedoelde landen aan wien, onder zoodanige voorwaarden en voor zoodanigen termijn, als die gemachtigde zoude goedvinden;

dat bij 's raads vonnis de dato 22 November 1 889 de 2e gedaagde is toegelaten zulks door getuigen te bewijzen;

dat bij het dientengevolge gehouden getuigenverhoor de tweede getuige niets verklaard heeft dat ter zake dienende is; dat de beide andere getuigen Secli Mohamad bin Said bin Talap en Rasidie in substantie hebben opgegeven: