is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de eerste, dat hij op zekeren Dinsdag, toenmaals ongeveer een jaar geleden, toevallig met Hindoean mederijdende, voor liet kantoor der Nederlandscli Indische Escompto Maatschappij te Batavia gekomen, aldaar is afgestapt en met Hindoean, op diens verzoek, mede naar binnen gegaan is; dat deze laatste, zich noemende gemachtigde van Mohainie, aldaar een gesprek voerde met eenen heer, dien hij Baud noemde, en om verhooging vroeg van de op de landen Kebon Djeroek en Serengseng rustende hypotheek, waarop die heer toestemmend antwoordde, mits Hindoean zich borg stelde;

dat Hindoean zich daartoe genegen betoonde, maar verlof vroeg om een contract, om de landen voor langen tijd te mogen verhuren, te maken, waarop de heer Baud toestemde;

de tweede, dat toenmaals ongeveer een jaar geleden, in de maand December 1888, hij Hindoean voor de Handelsvereniging alhier in gesprek vond met eenen heer, door Hindoean Baud genoemd, dat hij tijdens dat gesprek in de buurt bleef staan, omdat hij Hindoean over de betaling van van hem gekocht goei wilde spreken en dat volgens het toen door hem gehoorde gesprek de meergenoemde landen verhuurd zouden zijn voor 33 jaren en de Heer Baud daarop zeide „baik ;"

hebbende beiden nog opgegeven, dat de door hen als de heer Baud bedoelde persoon een groot zwaar of forscli man is;

O. dat door de verklaringen dezer getuigen alzoo niet anders bewezen is, dan dat er tusschen Hindoean, als gemachtigde van Mohainie, en den heer Baud, vennoot der eischeres, tijdens het getuigenverhoor ongeveer een jaar geleden, besprekingen hebben plaats gehad over den verhuur van de ten processe bedoelde landen;

dat daardoor de tegen de vordering aangevoerde verwering niet volledig bewezen, doch ook niet geheel van bewijs ontbloot is, doende het ter zake niets af, welke besprekingen er aan de beweerde toestemming voorafgegaan zouden zijn, noch dat de juiste datum, waarop die toestemming zoude verleend zijn, vaststaat;

O. dat er in deze omstandigheden termen aanwezig zijn voor den rechter om ambtshalve aan de eischeres den eed op te