is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beroepen, vermits tocli eene gedaagde partij bevoegd is verschillende verweringen te voeren; zijnde geintimeerde verder in eene breedvoerige verdediging van 's raads vonnis getreden, waarna hij geconcludetrd heeft tot te niet doeying van het appel en bekrachtiging van liet vonnis, waarvaH appel, met veroordeeling van appellante in de kosten der beide instantiën;

O. dat partijen ten dienenden dage hebben afgeziep van pleidooi, verzoekende recht op de stukken, waarna de uitspraak is bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. dat zich onderwerpelijk de rechtsvraag voordoet, of overschrijving van een perceel door den kooper (geintimeerde), daartoe met recht van substitutie gemachtigd door den verkooper, rechtsgeldig is wanneer die overschrijving plaats heeft ten dage dat de lastgever bij vonnis instaat van faillissement is verklaard, en zulks terwijl en de lasthebber en diens gebubstitueerd gemachtigde, die de overschrijving volbracht, van dat faillissement geen kennis droegen ;

dat de eerste rechter die vraag met het oog op art. 1818, al. 1 B. W. te recht bevestigend heeft beantwoord;

dat de appellante hiertegen heeft aangevoerd dat lastgeving door het faillissement van den lastgever eindigt (art. 1813, al. 4 B. W.);

dat het vonnis van faillissements verklaring in vele opzichten is een vonnis van staat, hetwelk van het oogenblik der uitspraak tegen een ieder werkt zonder onderscheid, en daarom de goede trouw van den lasthebber, die na het faillissement handelt, niets afdoet; dat de rechter en geintimeerde dan ook de bepaling van art. 1818 B. W. verkeerd opvatten, vermits dat wetsartikel slechts strekt om den lasthebber en derden voor schade te behoeden, dat er nu in casu geen derde is en de geintimeerde qua lasthebber geen schade lijdt, indien de door appellante gevorderde nietig verklaring wordt toegewezen;

dat echter dit alles der appellante niet kan baten, vermits de wetgever, na in art. 1813, al. 4 B. W., geheel in overeenstemming met het beginsel van art. 755 W. v. K. te hebben bepaald dat lastgeving eindigt onder anderen door den staat van fail-