is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door den praetizijn van gedaagde is vervolgens acte gevraagd en hem verleend, dat de conclusie van eisch incidenteel van den eischer dd. 5 December 1890 is buiten de procesorde en mitsdien buiten het geding behoort te worden gesteld, en dat gedaagde ontkent alle feiten, welke eischer in die conclusie heeft gesteld.

Nadat partijen hare sustenuen nader mondeling bij pleidooi hadden toegelicht, en de procureur des eischers acte gevraagd en hem die verleend was van zijn verzoek, dat zijne conclusie van eisch incidenteel alsnog in het geding worde gebracht, hebben partijen recht gevraagd.

De Raad nam daarop de volgende beslissing: Ten aanzien der feiten, O. enz.; Ten aanzien van het recht,

O. dat de gedaagde in de eerste plaats geconcludeerd beeft tot niet ontvankelijk verklaring van den eischer met zijnen ingestelden eisch, op grond dat aan de eerste eischen van procedure, dat de gedaagde wete door wien en ter zake waarvan hij in rechten aangesproken wordt, niet is voldaan ;

O. wat het eerste punt betreft, dat de dagvaarding is uitgebracht voor en namens J. A. Messerschmidt, eersten kommies ter Algemeene Rekenkamer, wonende te Batavia, als beheerder des boedels van wijlen Mevrouw Louise Messerschmidt, geboren de Scheemaker, overleden den 3den October 1888 te Tjibadak, afdeeling Soekaboeinie, residentie Preanger Regentschappen, weduwe van Heinrich Messerschmidt;

dat hieruit dus blijkt, dat de aanlegger van het geding is de persoon van J. A. Messerschmidt, doch niet in privé, maar in zekere kwaliteit;

dat als die kwaliteit wordt opgegeven „beheerder" van zekeren boedel;

dat echter uit de uitdrukking „beheerder eens boedels", zonder nadere opgave als hoedanig men dien beheert, als executeur testamentair, als vertegenwoordiger der erfgenamen, als anderszins, in een woord zonder opgave wie de rechthebbenden op dien boedel zijn en uit kracht waarvan de aanlegger namens hen het LVI. 23