is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strafrechtelijke competentie geldt, melding wordt gemaakt; dat derhalve poging tot doodslag ingevolge art. 105, lo. van het Reglement op de rechterlijke organisatie niet behoort tot de berechting van den landraad, maar tot die van de rechtbank van omgang;

O. dat mitsdien de landraad onbevoegd was van deze tegen den beklaagde ingebrachte beschuldiging kennis te nemen en dat evenwel geschied zijnde, alzoo 's landraads vonnis, krachtens art. 290 van het Reglement op de Strafvordering in revisie behoort te worden vernietigd, met verwijzing van de zaak naar den bevoegden rechter;

O. dat deze vernietiging alsdan echter tevens die van 's landraads vonnis, voorzooveel betreft het eerste punt van beschuldiging, moet medebrengen;

dat wel is waar de kennisneming van het daarin bedoeld feit in het algemeen ook binnen de rechtsbevoegdheid van den landraad ligt;

dat echter in het onderhavig geval de beide strafbare feiten simul el semel behooren te worden behandeld en wel door den rechter, die bevoegd is over het zwaarste recht te spreken;

O. dat toch wel is waar het Reglement op de uitoefening der politie enz. onder de inlanders op Java en Madoera geene uitdrukkelijke wetsbepalingen bevat als die in de art. 108 en 109 van dat op de strafvordering voor de raden van justitie op Java enz , vervat, waarbij feiten, gelijk die, welke vermoed worden door den beklaagde te zijn bedreven, waarvan het eene is gepleegd om zich tegen de bestraffing ter zake van het andere te beveiligen, worden verklaard samenhangende te zijn en wordt bepaald dat daarover bij ééne en dezelfde uitspraak zal worden beslist, doch dat desniettemin andere wetsbepalingen van dat Reglement tot eene gelijke behandeling ten deze nopen;

dat immers niet alleen een dergelijk beginsel in de laatste alinea van art. 241 gehuldigd wordt, welke bepaling meerdere misdrijven door een beklaagde op het rechtsgebied van onderscheiden landraden gepleegd slechts door één dezer rechtseollegiën wil berecht hebben, maar ook zonder eene gelijktijdige

LVI. 24