is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i 11 hechtenis behoore te blijven, de kosten ten laste van den Lande en met bevel tot teruggave van de tot stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen, nl. het kistje aan den bestolene IJah Hoo Swie, na verloop van acht dagen na 's Hofs arrest, de sarong aan den pandjeshuishouder te Monokromo en het sirihstelletje aan de getuige Bok Giah, tenzij daarop binnen dien termijn door den eigenaar of rechthebbende onder den griffier beslag zij gelegd op de wijze voorgeschreven bij het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;

Gehoord het rapport van den raadsheer dhr. Mr. J. W. A. von Schinidt auf Altenstadt;

O. dat de beklaagde heeft berust, terwijl de ambtenaar van het Openbaar Ministerie behoorlijk op de wijze bij de wet voorgeschreven en binnen den daar gestelden termijn verklaard heeft revisie te verlangen, waarvan aan den beklaagde behoorlijk beteekening is gedaan ;

O. dat blijkens het proces-verbaal der in de zaak van den beklaagde op 11 December 1890 gehouden terechtzitting de landraad, na de voorlezing der acte van beschuldiging en den beklaagde daarop te hebben gehoord, onmiddellijk zonder eenig onderzoek naar de schuld van den beklaagde in te stellen, bepaaldelijk zonder eenig getuigenverhoor, hoewel de tegen den beklaagde ingebrachte beschuldiging voornamelijk op de verklaringen van in het voorloopig onderzoek als getuigen gehoorde personen berustte, tot de beraadslaging is overgegaan en vervolgens vonnis heeft gewezen ;

O. dat derhalve de landraad de voorschriften der wet betreffende het houden van het gerechtelijk onderzoek ter openbare terechtzitting, ten minste voor een groot deel, niet heeft opgevolgd; dat deze voorschriften echter van openbare orde zijn en een onmisbaar gedeelte uitmaken van de strafprocedure, zooals die door den wetgever is gewild en verordend, zoodat hun verzuim die procedure geheel infirmeert;

O. dat dit verzuim derhalve geacht moet worden eene essentieele nietigheid te vormen en de vernietiging in revisie moet ten gevolge hebben van de rechtshandeling waarin die is begaan ;