is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit tegen den verdachte nog niet, ten minste nog niet volledig, is gevoerd; dat mitsdien zulk eene, wanneer dit wel is geschied, niet kan plaats vinden op eene wijze bij die voorschriften voorzien en alzoo, daar toch ook geene andere algemeene verordeningen haar regelen of veroorloven, alsdan slechts zou kunnen geschieden in strijd met de aangehaalde wetsbepalingen; dat zulk eene derhalve niet is toegelaten;

O. dat dit dan ook blijkbaar in den wil des wetgevers moet hebben gelegen, daar het toch a priori volkomen onaannemelijk is dat de observatie van zulk een algemeen aangenomen rechtsbeginsel als de rechtsregel non bis in idem door hem niet zou zijn gewild; te minder daar het toch elders in art. 34 der Algemeene Bepalingen van wetgeving uitdrukkelijk door hem is gehuldigd en zelfs de beperkte erkenning daarvan, voor het geval van vroegere vrijspraak, in de art. 398 van het Reglement op de uitoefening der politie enz. en 389 van het Reglement op de strafvordering voor de raden van justitie op Java enz, zoozeer a fortiori tot zijne erkenning voor het geval eener vroegere veroordeeling moet nopen, dat daarin niet de uitdrukking van den wil tot eene beperking kan worden gezien, maar slechts dien van het ook voor het overige blijkbaar in de wet gevolgd beginsel, om de exceptiën in strafzaken niet verder te behandelen, dan voorzoover hare vermelding den wetgever volstrekt noodig voorkwam;

O. dat alzoo de observatie van den rechtsregel non bis in idem in strafzaken, ook in het geval dat het vroeger gewijsde eene veroordeeling bevat, op de wet en wel op een bepaald voorschrift van publieke orde berust; en de strafrechter dien mitsdien ambtshalve moet toepassen ;

O. dat ook in het thans aan den rechter in revisie onderworpen strafgeding dit derhalve behoort te geschieden en het Openbaar Ministerie dus, op grond dat geen recht tot strafvordering tegen den beklaagde ter zake van de hem ten laste gelegde feiten meer bestaat, met zijne tegen hem ingestelde vordering tot straf moet worden verklaard niet ontvankelijk;

dat het toch niet ter zake doet dat dit recht tot strafvordering