is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oog op de bewoordingen, waarin dezelve is vervat, alsook met het oog op de omstandigheid, dat dezelve niet onmiddellijk achter 110 6 van ons art. 2, maar eerst aan liet slot van liet geheele artikel is geplaatst, in stede van als eene uitzondering op of wel derogatie aan de in het belang der publieke orde in het leven geroepen bepaling van dat no. 6 (volgens welke de duur der overeenkomst den tijd van drie jaren niet mag te boven gaan) veeleer slechts als eene nadere toelichting of aanvulling van nos. 4 en 5 van gemeld art. 2 moet worden aangemerkt, en blijkbaar slechts strekt om te bepalen, hoedanig, voor het geval dat een werkman, wegens verlof, ziekte van meer dan een maand, desertie of het ondergaan van straf een tijd lang in het geheel niet heeft gewerkt, het bedrag van bet aan hem uit te betalen maandelijksch loon behoort te worden berekend, zoodat, wanneer de werkman b. v. van de 30 dagen er 5 met verlof is geweest en dus in het geheel niet meer dan 25 dagen beeft gewerkt, hem ook niet meer dan over die 25 dagen zijn loon behoeft te worden berekend ;

O. dat alzoo de plaats, welke door de slotalinea van ons art. 2 met betrekking tot hetgeen onder no. 6 van datzelfde artikel staat vermeld, wordt ingenomen, wel verre van de dooiden beklaagde gehuldigde opvatting te begunstigen, integendeel een onoverkomelijk beletsel daarstelt om uit de in die slotalinea gebezigde woorden, nu deze, zooals boven is in het licht gesteld, zeer goed een anderen, voor den werkman meer favorabelen uitleg toelaten, te mogen afleiden, dat de wetgever daarmede eene uitzondering op de daarvan door eenige alinea's gescheiden, in het belang der publieke orde gemaakte bepaling van no. 6 zoude bobben willen maken, en in stede van alsdan eenvoudig van den duur der overeenkomst te gewagen, deze zijne bedoeling op zoo gebrekkige en dubbelzinnige wijze zoude hebben uitgedrukt;

O. dat die door beklaagde verdedigde opvatting nog te minder aannemelijk is te achten, wanneer men in het oog houdt, dat de werklieden, welke aan de hier vigeerende koelieordonnantie zijn onderworpen, eo ipso min of ineer aan hunnen gewonen rechtstoestand zijn onttrokken, zoodat de wetgever aan