is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om zelfstandig bewijs te leveren, maar alleen om nader te bevestigen, wat reeds uit appellants eigtn productie blijkt;

dat appellant nu de bekentenis van geintimeerdes productie bij den rechter in verdenking tracht te brengen, door te beweren dat de post: „Oetang lama tingal ƒ 3299,47", voorkomende op het 25ste blad van achteren gerekend in het boek (product 9) over het Chineesche jaar Sim ïjie (= ons jaar 1831), later in dat boek bijgeschreven, en dus valsch is; zijnde geiutimeerde daarna in eene breedvoerige wederlegging getreden der voor dat sustenu van valschheid door appellant aangevoerde motieven; hebbende geiutimeerde ten slotte geconcludeerd tot te niet doening van het appel en bekrachtiging van het vonnis, waarvan appel, met veroordeeling van den appellant in de kosten van het hooger beroep, immers en in elk geval tot niet ontvankelijkverklaring dan wel ontzegging aan den thans appellant, destijds eischer, van zijnen in eersten aanleg gedanen eisch en genomen conclusiën, met veroordeeling van appellant in de kosten der beide instantiën;

O. dat de appellant daarna ter rolle van den 26 Maart 1891 een rekest heeft doen indienen om de tegenpartij op de daarin nader aangegeven vraagpunten te liooren, waarna het Hof de nederlegging der stukken heeft gelast en de uitspraak heeft bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. dat de eerste rechter de onderwerpelijke vordering heeft verklaard niet ontvankelijk, op grond dat eischer, thans appellant, haar heeft gebaseerd op het rechtens ontestaanbare feit, dat hij aan den gedaagde, thans geintimeeide, eene hypothecaire schuld zou hebben afbetaald, vóórdat die schuld door de erfgenamen van den oorspronkelijken schuldeischer, overeenkomstig art. 11 72 van het Burgerlijk Wetboek juncto art. 31 der Overgangsbepalingen, wettig aan gedaagde was gecedeerd, met andere woorden vóórdat gedaagde in den zin der wet appellants schuldeischer was geworden ;

dat de hoogere rechter nogtans deze zienswijze niet kan deelen, daar toch, al moge eischer inderdaad, met het doel om