is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 9 Juli 1891. Voorzitter: als voren.

Staatsblad 1853 no. »6 art. 20.—Staatsblad 1880 no. 17 artt. 7 en 9. — Art. 269 en 282 Inl Regl.

Art. 20 van Staatsblad 1853 no. 86 handelt alleen over de civielrechtelijke verantwoordelijkheid van de pachters.

Boor bij veroordeeling krachtens art. 9 al. 2 van Staatsblad 18 80 no. 17 niet tevens te gelasten de teruggave van het onwettig gevorderde, heeft de rechter noch dat artikel noch art. 305 lnl. Regl. geschonden.

Ook is art. 269 lnl. Regl. niet geschonden, do:r een der in dat artikel niet genoemde personen niet tot het afleggen van getuigenis onder eede toe te laten.

Be rechter eenen beklaagde schuldig verklarende aan overtreding van art. 7 van Staatsblad 1880 no. 17, op grond dat als wettig bewezen is aangenomen dat hij als pandhuishouder heeft gevorderd of doen vorderen en ontvangen of doen ontvangen rente boven het wettelijk maximum, terwijl ten laste gelegd was, dat hij als pandhouder oogluikend had toegestaan, dat zijn handlanger bij de aflossing van in zijn pandhuis verpande voorwerpen rente heeft gevorderd boven dat maximum — heeft daardoor art. 282 lnl. Regl. geschonden.

HET HOOG GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH INDIE,

Gezien een vonnis van den Residentieraad te Soerakarta dd. 4 April 1891, waarbij de Chinees Tjan Gwan Sioe, oud naar aanzien 33 jaren, geboren in de kampong Tjokronegaran, laatst woonachtig in de kampong Ketadan, beide ter hoofdplaats en residentie Soerakarta, van beroep pandhouder, is schuldig verklaard aan overtreding van art. 7 van Staatsblad 1880 no. 17, door als pandhuishouder renten te hebben gevorderd of doen vorderen boven het maximum vastgesteld bij no. 83 van gemeld