is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat eischer tegenover de firma L. Platon verplicht is zijne schuld te betalen en hij alleen door betaling dier schuld aan den tegen hem gevorderden lijfsdwang kan ontkomen, zoodat wel niet kan worden ontkend, dat er een zeer nauw verband bestaat tusschen de verplichting van eischer tegenover de firma L. Platon en de verplichting van gedaagde tegenover eischer, welke voortspruit uit de geposeerde overeenkomst, waarbij gedaagde op zich genomen heeft eischers schulden, ook die aan de firma L. Platon, te betalen;

dat ook het verder door gedaagde voorgestelde niet ontvankelijkheidsmiddel niet opgaat;

dat eene verbintenis, om de schulden van eischer aan de Europeesche handelaren te betalen, niet is eene verbintenis om iets te doen, maar eene verbintenis om iets te geven;

dat in ieder geval de eischer nakoming dier verbintenis kan vorderen en het niet noodig is, dat hij daartoe vooraf eene in gebreke stelling doet afgaan;

dat eischer daarom ook, waar hij wordt aangesproken tot betaling van eene schuld, tot betaling waarvan de gedaagde zich tegenover hem heeft verbonden, gerechtigd is de gedaagde in vrijwaring te roepen;

dat het niets ter zake doet, dat in de geposeerde overeenkomst niet uitdrukkelijk het woord „vrijwaring" is gebezigd, daar in de verplichting om de schulden van eischer te betalen, ligt opgesloten de verplichting om den eischer tegen eventueele actiën ter zake van die schulden te vrijwaren ;

dat gedaagde zich niet van hare verplichting tot betaling van eischers schuld aan de firma L. Platon kan afmaken door zich te beroepen op een pretentie, welke zij, gedaagde, nog op eischer zou hebben;

dat gedaagde hare jegens eischer op zich genomen verplichting tot betaling van zijne schulden aan de Europeesche handelaren moet nakomen, onverschillig welke verplichtingen de eischer uit anderen hoofde tegenover haar mocht hebben;

dat het bovendien onjuist is, dat gedaagde dz f 5000 van eischer te vorderen heeft, en zulks dan ook uitdrukkelijk wordt ontkend;