is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat gedaagde daarop bij conclusie van antwoQrd heeft te kennen gegeven:

dat de eischer heeft verzocht request civiel op grond le dat de gedaagde in het tusschen partijen bij 's Hofs arrest van 18 Maart 1890 beëindigd geding zoude hebben gepleegd bedrog en zulks twee malen, en 2e dat eischer na de uitspraak een stuk van een beslissenden aard in handen zoude hebben bekomen, hetwelk door toedoen van de tegenpartij was achtergehouden ;

dat dit request civiel niet ontvankelijk is, cmdat, indien er in het tusschen partijen gevoerde geding door gedaagde bedrog ware gepleegd of eenig stuk achtergehouden, de eischer de gelegenheid heeft gehad om zulks reeds in dat geding aan te toonen;

dat immers op het oogenblik, dat de gedaagde ontkende, dat zij den eischer een levenslang onderhoud had toegezegd en dat de door haar van eischer ontvangen brief overeenkwam met de door hem daarvan gegeven schets, eischer kon en moest weten of die ontkenningen al dan niet in strijd waren met de waarheid;

dat, indien die ontkenningen met de waarheid in strijd waren, hem toen de gelegenheid openstond om door alle bij de wet toegelaten bewijsmiddelen, inzonderheid door een verhoor op vraagpunten of door het opleggen van een beslissenden eed, te trachten het bewijs le leveren, dat de door hem gestelde overeenkomst tusschen partijen gesloten was en dat de brief, welken gedaagde in haar bezit had, luidde zooals eischer beweerde;

dat eischer zulks heeft verzuimd, dewijl zijns inziens zijne vordering reeds volledig door de door hem overgelegde bescheiden bewezen was;

dat echter de rechter in die bescheiden hoegenaamd geen bewijs heeft gezien en het nu niet aangaat om het request civiel te bezigen als een middel om een in een beëindigd geding gepleegd verzuim te herstellen;

dat volgens de wet bedrog en het achterhouden van stukken, om aanleiding te kunnen geven tot request civiel, na de beëindiging van het geding moeten zijn ontdekt, omdat men alsdan L VII. 14