is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten aanzien van het recht,

O. dat volgens art. 385 in verband inet art. 401 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering, de arresten op tegenspraak in het laatste ressort door het Hoog-Gerechtshof gewezen, op het verzoek van degene, die partij geweest of geroepen zijn, kunnen herroepen worden om de aldaar aangegeven redenen en derhalve behoort onderzocht te worden of de bij evengenoemd art. 385 sub lo. en 8o. bedoelde gevallen, welke eischer op liet oog heeft, hier aanwezig zijn, m. a. w. of het request civiel gegrond is;

O. ten eerste ten aanzien van het beweerde bedrog, dat volgens genoemd art. 385 sub lo. grond is voor herroeping van een vonnis (arrest) „indien de beslissing berust op na derzelver uitspraak ontdekt bedrog of arglist der wederpartij in de procedure gepleegd" en mitsdien in de eerste plaats, naar aanleiding van het door gedaagde aangevoerde, moet beoordeeld worden of 's Hofs beslissing berust op het beweerde bedrog;

O. dat gedaagde, volgens eischer, het bedrog heeft gepleegd door in hare conclusie van antwoord in appel van 7 November 1889 te beweren dat de woorden „itoe onkost" onmogelijk kunnen bedoelen de ƒ 200, in art. 5 der notariëele acte vermeld, wijl onkosten heel iets anders zijn dan levensonderhoud, alsmede door in hare procureursacte van 7 December 1889 te beweren, dat de schets van den bedoelden brief noch in bewoordingen, noch in inhoud, noch in strekking op het origineel gelijkt;

O. nu dat in de voorlaatste overweging van het geincrimineerde arrest uitdrukkelijk werd overwogen dat „aangenomen zelfs het beweerde verband tusschen de woorden „itoe onkost setiap boelan ƒ 200," en de ƒ 200 per maand voor levensonderhoud van art. 5, zulks den eischer niet kan baten" en hieruit ten duidelijkste blijkt, dat 's Hofs beslissing geenszins op die beweerde bedriegelijke voorstelling san zaken heeft berust, daar toch het Hof noch met gedaagde heeft aangenomen, dat onkosten heel iets anders beteekent dan levensonderhoud, noch dat de schets van bedoelden brief niet op het origineel geleek, doch, zich aansluitende aan het beweren van eischer, dat de brief verband hield met art. 5, heeft beslist., zooals zooeven is vermeld;