is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In casu hebben partijen onder oogst alleen verstaan de op gebruikelijke wijze ingezamelde producten, tot welke laatste ook gerekend worden gekapte djatieboomen.

Waar nu door de vennootschap beweerd wordt dat die boomen niet op de gewone wijze geoogst doch door roofbouw verkregen zijn, terwijl de eigenaar zich verbonden had geen roofbouw te zullen plegen, daar moet de eerste toegelaten worden tot het bewijs harer bewering, omdat daaruit kan blijken dat de gevelde boomen niet behooren lot den oogst van dat jaar.

De naamlooze vennootschap: Maatschappij tot exploitatie der Pamanoekan en Tjiassemlanden, gevestigd te Batavia, appellante, comp. bij den adv. en proc.

Mr. T. Hennij, contra

J. Th. Hofland en E. Ch. Hofland, geïntimeerden, comp. de eerste bij den adv. en proc. Mr. J. R. Yonte en de tweede bij den adv. en proc.

Mr. P. Maclaine Pont.

HET HOOG GERECHTSHOF YAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten:

Overnemende het overzicht daarvan, vervat in het vonnis van den raad van justitie te Batavia ddo. 12 December 1890 (1) tusschen partijen gewezen, waarbij is verklaard dat al de op 31 December 1886 op de in de residentie Krawang gelegen Pamanoekan en Tjiassemlanden aanwezige gevelde, doch nog niet bekapte en vierkant gemaakte djatiboomen zijn het eigendom van den eiseher en den tweeden gedaagde, met veroordeeling van den eersten gedaagde in de kosten van het geding;

En wijders:

O. dat de succumbante, zich met dit vonnis bezwaard gevoelende, daarvan tempore utili is gekomen in hooger beroep en daartegen bij conclusie van eisch in appel heeft aangevoerd:

(1) Opgenomen in Deel LVI pag. 256 sqq. van dit Tijdschrift.