is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hat liet vonnis a quo wel en terecht is gewezen, en appellante (laarmede niet is bezwaard;

dat de boomen in kwestie niet door de beide geïntimeerden zijn ingebracht en dus hun eigendom zijn gebleven;

dat immers onder den inbreng, die in art. 7 der statuten is omschreven, die boomen niet zijn begrepen;

dat appellante wil beweren, dat die boomen vallen onder de op de landen aanwezige losse goederen tot het land behooiende, doch die bewering niet opgaat;

dat toch de boomen in kwestie waren geveld en van den grond gescheiden en dus niet meer behoorden tot het land, waarop zij hadden gestaan;

dat het gevelde hout eene zelfstandige zaak uitmaakt en van af het oogenblik, dat het geveld en dus van den grond gescheiden is, niet meer is een deel van den grond, waarop het heeft gestaan, en van dat oogenblik dan ook niets meer met dien grond gemeen heeft;

dat appellante betoogt, dat onder alle losse goederen op de landen aanwezig en daartoe behoorende uit den aard der zaak verstaan moet worden al het roerend goed, dal op de landen te vinden is en daarvan is verkregen of aan exploitatie daarvan dienstbaar is ;

dat tweede geintimeerde echter meent, dat onder alle op de landen aanwezige losse goederen tot het land behoorende, uit den aard der zaak alleen moet verstaan worden al het roerend goed dat tot het land behoort; maar niet het roerend goed, dat daartoe niet meer behoort, al is het ook van het land verkregen, zooals het geval is met het gevelde djatihout;

dat uit de woorden „uitgezonderd de nog otiafgevoerde producten verkregen uit den oogst van het jaar 1886", welke in de omschrijving van den inbreng zijn bijgevoegd, niets kan worden afgeleid omtrent de vraag, welke losse goederen al of niet tot het land behooren;

dat in ieder geval uit die woorden nimmer de gevolgtrekking kan worden gemaakt, dat onder de tot het land behoorende goederen ook zou moeten begrepen worden het niet tot het land behoorende gevelde hout;