is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilde onderscheiding berust, en wa roiu koffieboontjes, suikerriet enz. wel oogst zouden zijn en djatihout niet;

dat bovendien in liet consignatiecontract dd. 9 Februari 1886 no. 32 voor notaris Meertens verleden, waaruit de statuten van apppellante zijn voortgevloeid, onder oogst ook wel degelijk liet djatihout wordt begrepen, zooals uit verschillende bepalingen van dat contract blijkt;

dat de woorden : „uitgezonderd de nog onafgevoerde producten, verkregen uit den oogst van het jaar 1886", in art. 7 der statuten van appellante zijn opgenomen op grond van en in aansluiting aan de bepaling van art. 5 (alinea 2) van het evengenoemd consignatiecontract, en die woorden in art. 7 der statuten derhalve zonder eenigen twijfel ook het gevelde djatihout omvatten, nu uit liet consignatiecontract blijkt, dat in dat contract het djatihout onder den oogst werd gerekend;

dat voorts wordt ontkend, dat de djatibosschen in het wilde tegen den grond geslagen en vernield zijn, en evenzeer onjuist is, dat gedurende een reeks van jaren geen houtaankap van beteekenis meer heeft plaats gehad of zal kunnen plaats hebben;

dat het sub 1 door appel'ante gestelde feit, dat eerste gtintiraeerde de landen gedurende eenige jaren heeft beheerd, juist is;

dat echter wat de sub 2 en 3 gestelde feiten betreft, tweede geintimeerde de archieven en boeken der landen niet in zijn bezit heeft, en dus niet kan nagaan hoeveel djatihout in de jaren 1884 en 1885 gekapt is, zoodat hij die feiten niet kan erkennen of ontkennen en te dien aanzien niets kan verklaren;

dat, wat de sub 4, 5, 6 en 7 gestelde feiten betreft, de tweedt geintimeerde zich niet kan ü tlaten over de daarbij genoemde cijfers en zulks om dezelfde reden als boven;

dat echter door geïntimeerden in liet jaar 1886 geen roofbouw is gepleegd, en tweede geintimeerde ook uitdrukkelijk ontkent, dat zij zich aan wanbeheer hebben schuldig gemaakt;

dat trouwens, al waren de feiten juist, zulks de appellante toch niet zou baten;